donderdag 26 november 2015

Dichterscafé november 2015

Dichterscafé november 2015 - Onderwerp:
Inferno, canto I, 22 – 27


Inleiding door Leen de Oude


"Als een die buiten adem uit de zee

de kust bereikt heeft en vandaar zich omwendt
naar 't water dat hij heeft doorstaan, en kijkt,


zo wendde zich mijn ziel ook om, nog vluchtend,
voor 'n blik naar achteren op de doortocht die
nog nooit een mens in leven heeft gelaten."


                                        Inferno, canto I, 22 – 27


In het Italiaans anno 1300:

"E come quei che con lena affannata

uscito fuor del pelago a la riva
si volge a l'acqua perigliosa e guata, 

così l'animo mio, ch'ancor fuggiva,

si volse a retro a rimirar lo passo
che non lasciò già mai persona viva."

                               Inferno, canto I, 22 - 27



Het is dit jaar 750 jaar geleden dat de dichter van La Divina Commedi
de Florentijn Dante Alighieri, werd geboren. Hij geldt als de grootste dichter die Italië,
of zelfs heel West-Europa, sinds de oudheid heeft voortgebracht.
Tijd om daar even, om meer dan één reden bij stil te staan. 
Dit magnum opus zou waarschijnlijk nooit in deze vorm ontstaan zijn als Dante, als gevolg van heftige politieke strubbelingen, niet in 1302 uit zijn geboortestad zou zijn verbannen. 
Terugkeer zou zijn dood betekend hebben. Hij is er dan ook nooit meer terug geweest en overleed in 1321 in Ravenna.

Hij heeft de ellende van de verdrevene aan den lijve ondervonden en 
daarvan geeft zijn Commedia op niet mis te verstane wijze blijk. Over (de verdiensten van) het werk als geheel wil ik het hier nu niet hebben. De versregels die ik als citaat uit het eerste deel, Inferno, 
heb bijgevoegd, lijken mij geschikt als opstapje naar de actualiteit en als inspiratiebron voor het dichtersvolk.


Gedichten van deze bijeenkomst:

Gedichten op het thema
Inferno door Leen de Oude
Bezieling door Sieth Delhaas
Anno 2015 door Tinus Derks
De as van Pirandello door Pieter Bas Kempe
‘n Blik naar achteren op de doortocht’ door Jan van Laar
Het kijkt door Violet Asseruit Mane
Gevlucht geweten door Lotte de Waard
Klein meisje met roze jurkje door Michiel van Hunenstijn
Lethe door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Overzicht door Joost Golsteyn
Alledaagse beelden door Arja Scheffer
Nog hier door Astrid Aalderink
Oude man aan zee door Cees Leliveld
Over standvastigheid door Jos Paardekooper
Havana door Maarten Douwe Bredero


Gedichten zonder vastgesteld thema

Genealogie van het geweten door Neletta van Heuven
Woede door Niels Klinkenberg
In stilte door Alex Gentjes


Voor de bijeenkomst van 29 december kunt u zich laten inspireren door onderstaande zin uit het 
Sonnet van P.C. Hooft:
'Gezwinde grijsaard die op wakkre wieken staag' 

Dit thema is ingebracht door Jos Paardekooper.

Graag tot dan, namens Herman, Jos en Arja!

Inferno

Hoe levend kan een dode dichter zijn
als hij verdreven van zijn vadergrond
zojuist ontkomen aan een groot gevaar
de woorden spreekt die niemand graag wil horen.

Wat weet de hemel van de hellekring
de hete grond waaraan zij zijn ontstegen
Hun god blijft lang en indrukwekkend zwijgen
hun roep om hulp gaat in de nacht verloren.

Wie desondanks zijn doel weet te bereiken
komt met zijn wrede god bedrogen uit
Er klinkt een luid protest of zacht gefluister
zij zullen onze zoete rust verstoren.

Leen de Oude

Bezieling

Waarom, vraag ik me af
- wellicht stelt Dante zich dezelfde vraag –
keek hij om
naar het donk’re woud
waar nooit iemand levend
uit gekomen is?

Kan ik die mens van toen begrijpen?
de mens die bereid was
zijn leven in het licht
van iets dat goddelijk heette
te spiegelen? Hoe
staat het met mijzelf?

Ik, al zo’n twintig jaar geleden,
besloten me niet meer onder
het gehoor van welke
godsdienaar te stellen,
meen dat mijn verstand
het voor het zeggen heeft.

Sloot me aan bij wat
- een eeuw voor Dante -
een in het Duits gebied
levende abdis verkondigde:
“der Mensch ist gewaltig
an Kraft seiner Seele”.

In haar woorden
herken ik mezelf
en de zoektocht van Dante.

in die zin vraag ik me
wat is er intussen met de mensheid
gebeurd
dat deze dimensie
is verloren gegaan
uit het oog geraakt.

Als Dante buiten adem
als uit de zee de kust bereikt
en vandaar zich omdraait naar ‘t woud
waar nooit iemand levend is uit gekomen
wat bezielde hem?

Sieth Delhaas

Anno 2015

Het bloeddoordrenkte Avondland
wentelt zich in comfort zones
van uitgemergeld normbesef.

Wanhoop in het Oude Continent;
systemen worden tot problemen
in het uur van de nood.

Aangespoelde andersdenkenden
zijn dubbelhartig welkom met de
oude mantra: E.T. phone home.

En zie hun lot ten hoon aanbidt
opgezweept klootjesvolk
de goedgebekte blaarkop.

Tinus Derks

De as van Pirandello

Hem dolf zijn eiland zijn graf:
geboortig uit Caos, tot Caos weergekeerd
spleet donder de den waaronder zijn urn
geen rust vond - pas in de spleet
van de kraterwand, al eerder door donder bezocht
in Grieks-Romeinse tijd van overzee,
ruste zijn as, na een laatste overschouderse blik
op het eeuwige worstelen,
op zijn Afrikaanse zee.

Pieter Bas Kempe

‘n Blik naar achteren op de doortocht’

 (Dante)

Steeds opnieuw reikt de slimme slang verdachte appels aan.
Niet voor het laatst werd de gifbeker door Socrates geledigd
nadat hij op dubieuze gronden was veroordeeld. De
volksverhuizing in 400 was er een uit een lange reeks. De
slag bij Nieuwpoort werd voor het eerst in 1600 geleverd, en
ook de Franse Revolutie van zo’n twee eeuwen later woedt
nog altijd voort. En houd er rekening mee dat de griezelige
Hound of the Baskervilles zomaar kan losbreken.

Uitzonderlijk was het niet dat president John Kennedy door
Lee Oswald werd doodgeschoten, en wanneer de
moordenaar van John Lennon opnieuw zal toeslaan weet
niemand. Vergeet niet dat we nog altijd te maken hebben
met de haan van het verraad die op onverwachte momenten
kan gaan kraaien, in het ergste geval drie keer.

Eeuwenlang werd de Hel van Dante door velen gezien als
het archetype van elk inferno; dit gold tot 9 september en 13
maart: toen is de nieuwe toekomst begonnen, daar zitten wij
nu middenin!

Jan van Laar

HET kijkt

De tol die ik offer

heet Wet der Liefde,

zoekend naar de graal

werd ik alsmaar doffer

zodat mijn ziel zich kliefde,

het was dor en kaal.


Water kolkt om mij heen

mijn hart schreeuwt ontzield:

draai niet om maar vlucht

en voel mij van steen,

door leem werd ik geknield

kreeg amper lucht.


Ik weet mijn doorvaart stopt,

versmelten wil ik en gil luid:

adem, adem, adem uit zee

maar ‘t water slaat en schopt

en zit genageld aan een kluit,

HET kijkt, ik vraag: neem mij mee.


Violet Asseruit Mane

Gevlucht Geweten

Wij zijn allemaal migrant
Wie de ware wortels heeft getrokken
van zijn stamboom
Weet dat allang

En wie niet kan worteltrekken
moet opnieuw leren delen
En wie denkt dat hij niets kan Doen
heeft last van een gevlucht geweten

Ontnuchterende werkelijkheid
Het grote afschuifsysteem werkt overal
Oftewel bij ieder individu
Wanneer het zo uitkomt
Laten we ons geweten vluchten
Naar een veilig wit nest van gelijkgestemden

Lotte de Waard

Klein meisje met roze jurkje

Kijk ‘ns wie we daar hebben,
als dat Myeisha niet is. Wat is ze stil,
ik had haar niet gehoord, slaapt ze?
Nee, ze slaapt niet, ze wiegt een beetje,
ze wiebelt een beetje heen en weer.
Ze droomt van lang en gelukkig.
Leven is een zorg van vroeger,
alles kan ze nu vergeten.
Maar waar is iedereen?

Ze draagt, onder dat roze jurkje,
een groene broek en lila schoenen.
Ze reikt, naar wat reikt ze, naar dat visje
dat bij haar in de buurt zwemt,
zou ze dat zien? Wat is ze stil.
Myeisha! Myeisha! Ze hoort me niet.
Ze rekt zich uit in de golven,
klein meisje met roze jurkje.
Toe water, stop haar zachtjes in,
toe water, dek haar eeuwig toe.

Lethe

Vanaf de overzijde beziende de rivier waarover wind
soms kleine dan weer onstuimig hoge golven blies,
zie ik vage vormen drijven, het kabbelend water lijkt
voortdurend zacht te mompelen, hoe kan ik dit verstaan

het ruist vergeefse taal

Ongelovig kijk ik dieper, waar het water troebelt, bruist  -
dan onderscheidt zich iets, een lichaam flauw fluisterend
wat klanken die zich rijgen tot smartelijk 'geen besef', 'help'
ik reik mijn handen en til een onbekende op de oever

ze zwijgt met duistere ogen

Ik trek en duw en schud en klop, wat wil het toch, dit lijf
waarin onderhuids tekentjes als 'schuld' of 'spijt' lijken gegrift
ik schud en klop nog harder: 'spreek je uit, dan kan ik helpen',
hoor lispelend 'ik wist het niet' en wanhopig 'ik weet niet meer'

zwaar duurt de stilte

Ik streel hoewel bevreesd, haar hoofd, haar kleine handen;
ze richt zich moeizaam op en pruttelt 'ik moet weer verder',
laat zich los en drijft stroomafwaarts op de ondoorzichtige rivier
langs borden waarop ik nu pas met vaste letters zie geschreven

welkom terug aan elke Ziel

Mijn blik volgt traag de schamele gestalte, schommelend
haar buitenste en binnen, zuiverwit en schaduwrijk ineen,
en ik herken –
Aarzelend eerst, dan enthousiast wuif ik mij na.

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Overzicht

als ik terugblik op de barre tocht die achter me ligt
en met een weemoedige wending van mijn vizier
het valse plat bevroed dat zich strekken zal
tot aan de einder

popel ik van ontroering om ginder gelouterd
de vruchten te plukken van het dapper
gehanteerde zwaard

voortdurend voor de leeuwen geworpen
doch met engelen op mijn jonge schouders
doorstond ik de duizendvoudige vuurdoop
door drank en vrouwen op de been gehouden

de dalen waar ik ooit uitklom
beginnen thans te glinsteren
in mijn haast haveloze ziel

Joost Golsteyn

Alledaagse beelden

Alledaagse beelden
Niet te verzinnen
ze komen lukraak bij je binnen.

Waar je je ook begeeft
ze doemen op en verdwijnen
weer, voor je het weet.

Maar niet voorgoed
deze beklijven diep van binnen
en beklemmen je gemoed.

Ik kreeg ze in het vizier
vier mannen en een peuter
één van de vier droeg het kindje
op zijn schouders
haar voetjes vrolijk bungelend
heel vertrouwd en vertrouwend op…

Waar zulle ze verblijven
en wie die om hen geeft
dat blijft beklijven
en beklemmen het gemoed

Arja Scheffer

Nog hier

Mens
was je

Met gezin, een baan en vrienden
vol plannen, dromend, sterk
als je vrouw zo naar je lachte
en je zoontje op je wachtte
’s avonds na je werk

Angst
ben je

Je gaat een lange, bange weg
voelt steeds de dreiging weer
’s nachts heb je ze opgezocht
je betaalde voor de overtocht
nu hier opeengepakt, je tong van leer

Pijn
ben je

Het afscheid dat moest stil en snel
degenen die je achterliet
je zusje in je vaderland
de neven van je moeders kant
ze wachten, maar ze weten niet

Wie
ben je ?

‘Vluchteling’ word je genoemd
je bent er een van velen
nu zonder naam, identiteit
het wordt te vol, men wil je kwijt
zal ooit je kind nog spelen ?

Mat
ben je

Wat kan een hart verdragen ?
uitgedoofd doe je nog mee
je tranen tonen ? nee, dat laat je
maar je hart huilt om je maatje
op de bodem van de zee

Astrid Aalderink

Oude man aan zee

In scherts sprak ik glimlachend tot mijn metgezel:
De zee? Die gaan wij morgen zien.
Zij (la mer, die See) ligt er dan ook nog wel.
En toen, die ochtend, betraden wij het strand
bij straffe wind en grauw, opvliegend schuim.
De zee vertoonde zich van haar nurkse, norse kant.
Geen loos gekabbel van onnoozle golfjes zagen wij
maar een hoge branding als een zwarte muur
van brekend, kolkend, grommend water.
Wij sprongen ijlings terug
om de hongerige golven te ontwijken
en staarden langdurig naar de lege einder.

Cees Leliveld

Over standvastigheid bij algemene rampspoed

Hoe voos is 't om, zoals in rampspoedtijd,
te verwijlen bij geluk van vroeger dagen
dat enkel het verkrampt gemoed verblijdt:

beproefd recept voor overvolle magen,
want er bestaat geen bruikbaar voorwaarts gaan
dat zich volmaakt gevaarloos laat verdragen

en zich op eigen daadkracht voor laat staan;
het leven toch voltrekt zich in het ongewilde,
trekt zich van plannenmakerij niets aan

en kent geen keer dan in de droom: verspilde
tijd, geen omzien zonder wee of wrok
of zonder hartstocht die allengs verkilde.

Niets rest ons dan het tikken van de klok,
de tijd slechts dient zich onbaatzuchtig aan.
Nooit komt men verder dan wanneer en bloc

men nu juist niet meer weet waarheen te gaan.


'Er bestaat geen bruikbaar voorwaarts gaan': vrij naar Robert Musil, De man zonder eigenschappen (Ned. vertaling, Amsterdam, 1988, p. 353) 

De slotregels zijn een aangepaste versie op: 'Nooit komt een mens verder dan wanneer hij niet weet waar hij heen gaat', toegeschreven aan Oliver Cromwell.

Jos Paardekooper

Havana

cosas sexuales, curvas redondas
pero es también la radiación
pesadez en tus ojos
cuando tú quieres tocar
como los ángeles más ligeros

sexuele dingen, geronde krommingen
maar het is ook de uitstraling
zwaar in jullie ogen
wanneer jíj wilt aanraken
zoals de lichtere engelen

Maarten Douwe Bredero

Asuntos sexuales, curvas contorneadas,
Pero que también irradian luz
Están cargados tus ojos
cuando tú quieres tocar
a esos ángeles tan livianos

(Interpretatie door Marta de Celis Casado)

Maarten Douwe Bredero

Genealogie van het geweten

Elke zomervakantie ging ons gezin naar Terschelling
Het eiland waar mijn oma woonde in haar jeugd
Ik was net vier geworden dus ik mocht mee
Oma had pijpenkrullen in mijn haar gerold
Daar was het huisje bij de zee dat heette Bellatrix
De slaapkamer van mijn ouders was beneden
Daar was een kaptafel met spiegeldeurtjes
Mijn zus zei: kom we gaan kappertje spelen
Zij was de oudste dus zij mocht als eerste
De schaar deed … kretch … kretch … kretch
Mijn pijpenkrullen vielen zachtjes op de grond
We gingen helemaal op in ons heerlijke spel
Wel gek dat ik op een jongen begon te lijken
Toen er geen haar meer te zien was, mocht ik
Ik knipte eerst  een hele lange vlecht weg …kretch
Ineens was er het geluid van de deur die piepte
De open mond van mijn moeder, de harde gil
Ik zag mijn zus die naar het raam toe rende
Dat raam stond open, ik volgde haar meteen
Daar waren de duinen waarin we ons verstopten tot
Het donker werd, toen liepen we naar huis, huilend
Daar was de tafel met alleen nog kruimels erop
De schelle stem van mijn moeder:  naar bed jullie!
De volgende dag stond mijn oma daar in de hal
Oma heette ook Neletta, ik was haar petekind
Oma leek veel groter, veel dikker dan ze al was
“Dat kind neem ik zo niet mee!” schreeuwde ze
Haar boze voetstappen, de voordeur die sloeg
Ze wou mij aan haar Terschellinger familie showen
Dat wist ik niet, ik had alleen maar gespeeld
Daar waren de grote ogen van mijn moeder
Die mij nooit meer zouden loslaten
Van toen af wist ik, zou ik weten,
… heb ik geweten

Mijn geweten is dat roodborstje
Het dient zich altijd zomaar aan
Waan ik mij zonder schuld of schaamte
Juist dan tikt ze venijnig aan mijn raam

Neletta van Heuven

Woede

Niet voor de angst ben ik het bangst:
Ik vrees dat grote meer-van-woede,
Dat vroeger al mijn onmacht voedde:
Mijn eigen woede voedt mijn angst.

Ik ken die machteloze woede:
Dat diepe meer, dat mij bedreigt,
dat zwart soms tot mijn lippen stijgt
en maakt dat in mij onvermoede

woede woedt: Ik wil dat niet,
Beheers mezelf, wil harmonie,

Maar als ik dan zo’n jongen zie,
Die zinloos daar op mensen schiet,
Onschuldig bloed dat hij vergiet
Als soeniet of als sji’iet,
Dan kolkt die woede, machteloos,
Dan wordt ik zèlf genadeloos,
Maar nee, dat kan niet! wil ik niet!

Niels Klinkenberg

In stilte

In stilte kan zij niet zwijgen
Haar woorden wegen veel te zwaar
Zij kan haar stemmen niet meer dragen
Zij vallen ’s ochtends uit elkaar

Net nog zei ze lachend
Ik weet niet meer welk woord ik ben
Zij kan haar woorden niet verdragen
Zij smelten ’s middags in haar stem

In stilte kan zij niet blijven
Haar zinnen komen tekst te kort
Zij kan haar tekens niet meer mijden
Zij missen elk complot

Net nog zag zij schrijvend
Aan het aanrecht in de zon
Haar gedichten zonder twijfel
Vertrekken van ’t station

Alex Gentjes