dinsdag 30 juni 2015

Dichterscafé juni 2015

Dichterscafé juni 2015 - Onderwerp:
“Niet alles is ons ernst, in jaargang zeventien”

Inleiding door Pieter Bas Kempe

Niet alles is ons ernst, in jaargang zeventien
Wie kent het gevoel niet: veelbelovende zomerse dagen onder de zegen – later niet zelden de vloek blijkend – van een eerste liefde, wellicht in jaargang zeventien, op het punt waar nog niet per se tussen afslag pint of afslag limo gekozen worden moet?
Arthur Rimbaud, geboren op 20 oktober 1854 in de Frans-Ardenner grensstad Charleville-Mézières, maakte hier op zakformaat een roman in versvorm van: zoals het dit wonderkind betaamde reeds, wanneer wij de datering mogen geloven (bij hem en zijn schriftgeleerden geen vanzelfsprekende zaak), op de limo-leeftijd van vijftien jaar!
Wij schrijven hier de tijd van de Frans-Pruisische Oorlog (1870-1871), die zou eindigen met de val van de Franse monarchie, de stichting van het Duitse keizerrijk, de Commune van Parijs, en heel veel slachtoffers. Voor de naar avontuur, en ontsnapping aan zijn overheersende moeder, snakkende dichter een buitenkans om, voor de eerste nog laatste keer, zich op weglopersvoeten richting  Charleroi, Brussel en Picardië te begeven: over welke strapatsen bibliotheken zijn volgepend, maar weinig méer bekend is dan dat Rimbaud zich – net als later – bij het invallen der winter steevast onder de vleugels van het ouderlijk huis, en limo in plaats van pint meldde.
Zijn spel met droom, werkelijkheid, ernst en scherts blijft ons, ook ver na zijn en onze vlegeljaren, boeien: moge het eenieder  inspireren tot een eigen roman in poëzie, de kroonluchters van het Vogeleiland wachten de juninacht af!

Gedichten van deze bijeenkomst:

Gedichten op het thema

Roman door Pieter Bas Kempe (vertaling)
Aimez-Vous Rimbaud? door Nele Holsheimer
Niet alles is ons ernst in jaargang zeventien door Niels Klinkenberg
Brief aan Rimbaud door Michiel van Hunenstijn
Vanuit de diepten door Joost Golsteyn

Sweet Seventeen door Maarten Douwe Bredero
Niet alles is ons ernst, in jaargang zeventien door Cees Leliveld
Badkamerstilte door Alfred Bronswijk

Homo sapiens sapiens door Erica Rekers
Mijn vriend wordt dichter door Jan van Laar


Gedichten zonder vastgesteld thema
Gisteren door Astrid Aalderink
Soloplechtigheid tussen papier en woorden door Klaas Wijnsma (vertaling)

Beeldentuin dor Frans Rummens
Father's day door Frans Rummens

Tiroler Alpenvreugd door Neletta van Heuven
Berlijns kinderportret door Jos Paardekooper
Zomerkermis door Herman Posthumus Meyjes
Zonder titel door Leen de Oude
Hou je nog van me? door Dick Smeijers
Waterkant tekeningen door Dick Smeijers
Wijsheden door Sieth Delhaas

Roman

 Vertaling van Roman van Arthur Rimbaud (1854-1891)

I

Niet alles is ons ernst, in jaargang zeventien.
Een schone avond, pint noch limo ingenomen,
Weg van het kroeggedruis, kroonluchters buitendien!
Men stapt doorheen de laan vol groende lindebomen.
Mooi zijn de juninachten met hun lindengeur;
Soms voelt de lucht zo teer dat oogleden zelf luiken;
Wind, vol geluid geladen uit de stadse deur,
Laat wijngaardgeuren alsook bierodeuren ruiken…..

II

Dan ziet men plots miezerig lappenvod verschijnen
Uit zwaartillend azuur, in ’t kader van een twijg,
Door een kwalijke ster doorboord, smeltend aan ’t kwijnen
Als zeer gering blank vlak, met zoet-huiv’rend gehijg..…
Juninacht! Zeventien! Men slaat aan het beroezen.
De geest uit de champagnefles het hoofd bestijgt…..
Men daast – en voelt dan op de lippen eensklaps kroezen
Een kus, jeukend als beestje dat men weg niet krijgt…..

III

Het dolle hart robinsonneert in roman-tiek,
Wanneer door glansmat van zeek’re straatlantaren
Langsloopt een jongedochter o zo hups en kwiek,
In ’t schemerduister van haar vader-moordenaren…..
Men wordt bezien als eersterangs onnozelaar,
Op laarsjes met een trippeldraf voorbijgelopen;
Dan draait zij zich vinnig, opletten om….. En klaar:
Verschrikt is ’t liefdeslied stil van de lip gekropen…..

IV

Men is verliefd. Tot in augustus aan de haak.
Men is verliefd. Men schrijft sonnetten. Haar lach klatert.
Men wordt gemeden wegens méer dan slechte smaak
Door vrienden – totdat zij zich tot een brief verwaardigt.....
Die avond? Kroeggdruis, kroonluchters buitendien!
Snel heeft men meen ‘ge pint of limo  ingenomen…..
Niet alles is ons ernst, in jaargang zeventien,
Met hele lanen vol van groene lindebomen.

Pieter Bas Kempe

Aimez-Vous Rimbaud ?

vluchtend voor
vrome moeders en
ongrijpbare vaders
ontdekten zij de
galaxieen van hun zaad
dromerig in drie kussen
over het verleidelijke
blote lijf

zij sloten hun ogen
vol genot
betoverd en
verdoofd

zij kenden niet
de uitdrukking
op het gezicht van eva
toen zij de appel plukte
en wat zij fluisterde
achter haar hand

hoe kan het ook anders

wie neemt een
versteende eva serieus
wanneer je zeventien bent
en alles lijkt licht

Nele Holsheimer

“Niet alles is ons ernst, in jaargang zeventien…”

Arthur was nímmer jong:
ernst is juist àl wat telt;
pubers zijn allemaal
erg serieus,
Alles is nieuw nog voor
zeventienjarigen:
jongens vooral zijn dan
libidineus.
Jongens die lijden vaak
onder de oogopslag
van een bewonderde
meisjesstudent,
afvragend, door al dat
puberhormoongedoe,
of zij hem straks als ge-
liefde herkent.
Zeker is hij van zijn
eeuwige liefde, want
zij is het meisje, zijn
eeuwige vrouw.
Haar zweert hij, ondanks zijn
acnegeteisterde
voorkomen, vol over-
tuiging zijn trouw.
Arthur Rimbaud, echter,
ziet met zijn latere
oordeel, ja zèg maar: met
‘kennis van nu’
Puberaal zoeken naar
experimentensex;
ziet slechts een hulpeloos
individu.
Nee hoor, Rimbaud, als je
pubers veroordeelt als
twijfelaars, weet je toch
niet hoe het hoort:
Ernst ondanks heftige
liefdesonzekerheid
leidt tot behoud van de
menslijke soort.

Niels Klinkenberg

Brief aan Rimbaud

Arthur, je brieven vond ik terug op zolder,
Ach Arthur, das is lang geleden, ik was net zeventien.
Die je lang geleden schreef. Ik heb ze bewaard. Ik ben Catherine.
Ach, Arthur, wat was ik verliefd, maar er was mijn vader.
Er waren vermaningen, Arthur, bedenk, je had geen opleiding,
Geen betrekking, op de boulevard rookte je je pijpje ondersteboven.
De burgers spraken er schande van. Je had dat bravoure.
Je had je gedichten, aute, aute beau, je schokte de burgerij.
Arthur, ik beminde je innig, maar je sprak van Afrika,
Je sprak van zee en horizon. In je ogen glinsterde goud,
Maar ik wilde vastigheid,
Geen dronken boot met grillige vaart.
Ik vond het, bakvis dat ik was, heerlijk, om met mijn hoofd
Op jouw schouder te kijken naar de rivier.
En jij maar praten, en jij maar ratelen.
Een zoete woordenstrooom

Michiel van Hunenstijn

Vanuit de diepten

(de waargebeurde geschiedenis van jaargang nummer 17)
(even serieus)
(onderwijl riep oom Herman balorig om rode witte wijn)

mosterdsoep werd dartelzwoel opgediend
door een of ander next topmodel
mosterdsoep met stukjes spek

haar frisse blonde krullen wiegden heen en weer
bij elke onbevangen stap, en ik haar maar vervelen
met een of andere grap

en alsof mijn leven opnieuw begon
- en toch moest ze trouwens lachen -
kreeg ik zomaar een kroeton

met geitenkaas besmeerd
iemand in de keuken
had wat bijgeleerd

en bovenop dat roomwitte laagje kaas
besmuikt aangebracht helaas
prijkte droog een kale walnoot - o zo bruin
vanuit de keuken verbeet zich nog de baas:
o waren wij maar écht dood - begraven in de tuin

maar mij scheen die kroeton een metafoor:
plompverloren op de geitenpaturin lagen gewoon
de tot goedkope snack verschrompelde
hersentjes van een gesneefde kantadoor

het brood kwam later dan de soep,
dus het werd dopen noch gesop
wel duwde zij, des vogeleilands topmodel,
pardoes haar duim er in

ik schrok even
maar ik was te lam
voor vijftig push-ups

Joost Golsteyn

Sweet Seventeen

If you would care to see
Against all odds of will
How people trace
Miraculous paths
Regardless of any despair

If you thought way back when
In sun lit summer nights
How life laid at your feet
Although missing daring flair

As you must understand by now
As the world still turns around
Living
As all art has showed
Is just power self bestowed

Maarten Douwe Bredero

Niet alles is ons ernst, in jaargang zeventien

Zou er iets Franser zijn dan Charleville-Mézières?
Alleen de naam al:
spreek die langzaam proevend uit.
Doel van mijn eerste reis naar Frankrijk:
het toen nog onbekende België voorbij!
La Place Ducale:
schitterend vertoon van
Franse superioriteit,
waarbij de Dam verbleekte.
Afdalend naar de Maas vond ik bij toeval
op mijn weg een bronzen beeld,
alweer vervaagd in mijn herinnering
maar dat was dus Rimbaud.
Oh ja, Rimbaud….Hadden we net gehad.
Peinzend heb ik daar een tijd gestaan.

De laatste keer dat ik daar kwam
was in de herfst met “vuilen kouden regen”
ooit als verwijt aan Nederland gericht.
Wij hebben dus de naam
maar Frankrijk kan  er ook wat van.
La Place was een gebit met rotte kiezen
desolate gaten zonder de grandeur van toen.
Mijn dichter heb ik toen niet meer gezien;
misschien omdat ik met iets anders bezig was.
Op zoek naar oorlogsvelden, monumenten
uit de tijd van Rimbaud zijn jaargang zeventien.

Wat is luim en wat is ernst bij deze blik in het verleden
dit kortstondige verwijl bij wat ooit was
of dat misschien alleen zo leek?
‘k Zie hoe de stad zich tooit met city marketing
dringt wervend aan op wat wij moeten zien.
Maar ik zie slechts Rimbaud:
In mijn jaargang zeventien.

Cees Leliveld

Badkamerstilte

De bittere ernst van jaargang zeventig-plus

Badkamerstilte, ochtend na ochtend weer.
Dag die zomaar binnensluipt, nooit te ontwijken.
Lijf dat zacht oud wordt, elke ademtocht meer.
Kleding, het omhulsel voor verzakte dijken.
Een baard, die onder grijsheid dreigt te bezwijken.
In de spiegel een rimpelkop, die loert als ik scheer.
En dan nog staar, wat hinderlijk is bij 't kijken.
Jaargang zeventig-plus - wat wil je nog meer.

Badkamerstilte. Maar ik heb geen retour.
Wie leeft moet op een simpel enkeltje reizen.
De jeugd? Een onaf schip zonder richtingsroer.
De liefde? Valse kermis met valse prijzen.
Loopbaan? Vergeefs traject van vergeefse reizen.
Wereldse roem? Een smakeloos plat du jour.
Mij rest nog weinig meer aan bestaansbewijzen.
Voor jaargang zeventig-plus een vast pandoer.

Badkamerstilte. Onthullend ogenblik.
Inflatiegevoel, psychische hobbelwegen.
Wat behoedt mij voor koude en laatste snik?
Wat mag ik koesteren als ultieme zegen?
Wat houdt mij hier verre van drup en de regen?
Niets redt jaargang zeventig-plus. Tenzij ik
met regelmaat glazen Bourgogne mag legen,
verpozend bij Nijhoff, Achterberg, Hoornik.

Alfred Bronswijk

Homo sapiens sapiens

Doe je mee?
Ik tel tot tien

wie niet weg is
is gezien

en heet sindsdien
Homo ludens

let wel
alles laat ons spelen
alles is ons spel

en

niet alles is ons ernst
in jaargang 17.

Erica Rekers

Mijn vriend wordt dichter

Je zult Orpheus zijn die zijn Eurydice vindt  aan de
overzijde van de Styx.
Je zult Brutus zijn die Julius Caesar verraadt,
Jeremia die huilt achter gesloten luiken en Erasmus
die de Lof der Zotheid van de daken predikt.
Ook Verlaine zul je zijn die de jonge Rimbaud
verleidt tot het symbolisme en de herenliefde.
Je zult waarheid als leugen verkopen en fictie
boetseren tot feiten.
Je zult teksten schrijven, ook apocriefe, die troost
bieden en onrust zaaien, realiteiten overstijgen en
dromen laten uitkomen.
Je zult de wrede  tijd weerstaan die levens ondermijnt
 en herinneringen tot versleten geheugens ombuigt.
Je zult treuren om een mens die zijn sterven verhaast
of die door de dood wordt aangerand.
Je zult verstilling zoeken in kerken die zich te buiten
gaan aan kloosters en kapellen, de hemel bestormen
door je in de massale extase van Pinkpop te storten.
In musea zul je afbeeldingen zien die je tegenstaan
en zich pas blootgeven als jij je vooroordelen prijsgeeft.
Je zult samenwonen met demonen die uit riolen opkomen.
Uitmesten zul je de schuldige stiltes van huizen die
besmet zijn met oude haat en achterklap, ze reinigen met nieuwe liederen, ze bewoonbaar maken door klare taal.

Vriend,
Je zult jezelf ontkennen.
Je zult jezelf ontdekken.
 opbouwen en afbreken,
optuigen en ontmaskeren,
tot je uiteindelijk Rimbaud
zult nazeggen:
Je est un autre.

Jan van Laar

Gisteren

gisteren stapte je onverwacht
mijn wereld even binnen en
was ik ineens heel dicht bij
dat wat me zo aantrekt in jou

je kwam als in een droom
jij was de droom
of droomde ik jou wakker
mijn wereld in ?

natuurlijk kwam je
met een andere reden
je moest daar zijn
maar ik moest daar ook zijn

wat weten we eigenlijk
van de plannen
van de regisseur ?

misschien schoof hij jou
daar wel om de hoek
zodat jouw zuivere klanken
mijn oor konden binnen zingen

zodat de film getiteld “gisteren”
zich nu afspeelt in mijn hoofd

de ruimte waar we waren
leek gevuld met lichte lucht
lucht die ons beide omvatte
en het onnoembare droeg

misschien was ik gisteren wel
dichterbij dan ooit

Astrid Aalderink

Soloplechtigheid tussen papieren en woorden

Vertaling van het gedicht Ceremonia solitaria entre papeles y palabrasv
van Jorge Eduardo Eielson (1924-2006)

Helemaal alleen tussen papieren
Tjokvol woorden
Tussen etenswaren die veranderen in dromen
Nagels ontlasting
Of etenswaren die veranderen in tranen
Beenderen gedachten
Tussen gordijnen die zich openen
Als het ochtendgloren en gordijnen die zich
Als littekens sluiten. Alleen tussen schimmen
Die lijken op andere schimmen
Schimmen van voorwerpen die geen voorwerpen zijn
Maar wervelingen
Van stoffen die snikken en hoesten
En nooit overlijden
Steeds tussen schimmen louter schimmen
Zomaar een muur strelen
Een handvol aarde in je zak
Dode cellen die ooit vaders en moeders waren
Ooms broers zussen vrienden
Overgegaan in woorden
Helemaal alleen tussen brokstukken
Van mensen die geen mensen zijn
Maar hoopjes knopen en ingewanden
Die op de bodem van een inktpot
Alles en iedereen kwellen
Tot ze hun einde vinden in het schrijven
Wanneer het woord sterft
En een brede glimlach doorbreekt
Uit het niets de geheimzinnige prop papier
Die ik alweer omklemd houd
In mijn hand

Klaas Wijnsma

Beeldentuin

Gele en rode vlammen
uit de lauwe aarde
reiken omhoog naar het
godgegeven, mooie naakt
omstrelen en omstrengelen ze
 de lijnen van de tors.

Maar de schoonheid is koud en kil
Ik volg de lijn van heup en bil;
alom in dit beeldenland
zuigt het warmte uit mijn hand

Hoe anders is mijn eigen naakt
het straalt van alle kant
met affectie en raakt
gevend in lieflijke guirland.
Pas straks aan het einde van het zijn
zal ik verkillen en met mijn
vlammend zwaard
ondergaan in diezelfde aard.
 
Frans Rummens (2008)

Father’s Day

On the great ship she was conceived at leisure
Nine months later she was born, our second treasure
Now she wants to thank me on this Father’s Day
For being her Dad, but to her I say
Don’t thank me, it was just my pleasure

Frans Rummens


Note:  “my pleasure” is het standaard antwoord als iemand je bedankt ergens voor.

Tiroler Alpenvreugd

Bergkruinen gehuld in hermelijnen mantel
Hellingen in groen tapijt en spargordijnen
Koeien grazen en daar spelen geiten dartel
Watervallen als geplas van cherubijnen

Hemelsblauw, het water in het meer
Vogelzang als knapenkoor zo schoon
Berm bezaaid met veldboeketten van de Heer
In vogelhuisjes hangt God’s Eigen Zoon

Dat de wereld wreed is en verrot
Dat maak je hier het volk niet wijs
Vrouw zaait, man maait, gezegend is hun lot
Zij leven hier Zum Wohl in proper paradijs

Daar hooit een boer zijn dirndl in de mijt.
God heerst in alomtegenwoordigheid
Het Gode-groeten levert het bewijs
Grüss Gott, Grüss Gott, Grüss Gott

Neletta van Heuven

Berlijns kinderportret

(nomen est omen)

Daar staat-ie, onze kleine prins.
Dat vaantje lag nog op de hilt.
Wat kijkt hij dromerig, verstild;
papa zegt, hij is vast weer wat van zins.

De sabel komt wellicht nog eens te pas
als hij verstrikt raakt, in z’n tressen.
Hij toont ten minste de noblesse
die hóórt bij zo’n portret surplace.
En hoe parmantig staat hem die sjako,
die alle deuren doet ontsluiten.
Mama maant hem vergeefs naar buiten;
ze zegt: “prestige krijg je niet cadeau.”
Maar hij verkiest te blijven dromen –
dat is een Benjamin zijn recht.
Het lot, weet hij, is al beslecht,
zijn naam weldra een dreigend omen.

Jos Paardekooper

Zomerkermis

De rinestone cowboys waren niet van de lucht
en een agente van de YMCA bood mij onversaagd
haar oorverdovende borsten aan,
waardoor ik nauwelijks toekwam aan de koffie
waarnaar ik verlangde, terwijl een karretje, eerder leeg dan vol,
zich wederom in de diepte stortte
met een donderend graas, waaraan men spoedig gewende.
Een vrouw die te kennen gaf reeds 100 dagen
afvalvrij te leven wierp een friteszakje van zich af
en een jongen met toetanchamonachtige oorbellen
schoot aldoor prijs, zodat hij verder moest
met een poezelig beest waarvan het hoofd afviel
eer hij de hoek had bereikt. Geen man liet zich zien
met onbeschreven armen en dus voelde ik mij ongekleed
in dit gezelschap dat het laatste klassenonderscheid had uitgewist.
Een open doel wachtte een hele ochtend op een schot, totdat tenslotte het frêle meisje van de kassa hem zelf maar inkopte.
Balorige invalidenwagentjes wurmden zich nietsontziend
door het gewoel en een man met een stok
keek dreigend in mijn richting. Een kind onderging
de onvermijdelijke deceptie van een opblaassloophamer
en van een horloge met onveranderlijke tijd.
Een ventje, die mijn achterkleinzoon had kunnen zijn,
leegde zijn pistool in mijn borstkas
schoon zijn moeder het hem verbood,
en daarop hield ik de kermis van twintig-vijftien
voor gezien en gehoord.
Maar het was wel echt genieten dit jaar.


© Herman Posthumus Meyjes

Zonder titel

kijk maar
het oog kan het niet alleen af

er zijn beginselen en
randvoorwaarden

mijn hand aarzelt nog
stijgt daalt
en dwaalt over
veelkleurige velden
trekt lijnen na
vermoedt een landschap
slaat nieuwe kronkelwegen in
sluit in en uit
mist een afslag
grijpt mis in een
geometrische vormentaal
herstelt de verbinding

maar er is geen brug
een droge rivierbedding
mogelijk slechts gevuld
met keien

hand en oog blijven hangen
aan de rand van
de afgrond

wie een schaal met
rijpe vruchten wil
is beter af
ten slotte

Leen de Oude

Hou je nog van me?

Hou je nog van me?
Dat weet je toch?
Maar ik wil het zo graag horen
Zal ik het onverwachts
Een keer
Tegen je zeggen?

Dick Smeijers

Waterkant tekeningen

de meerkoet schrijft een V in 't water
kopje onder gaat het keer op keer
de spiegelingen in het water  suggereren
zilver en kristal en heel veel meer
een knotwilg staat geduldig toe te kijken
aan overkant verscholen in het groen
een vrijersbankje overvol van liefde
het gras is net gemaaid en geurt in  kleuren
het jonge eendje zwemt alleen achter
zijn moeder aan...
de zon die knijpt een oogje dicht
't is heerlijk toeven aan de  waterkant.

Dick Smeijers

Wijsheden

Kun je nog wijsheden neerkalken
Als je als moeder
Met de dood van het zoveelste kind
Voor  ogen
Je op je positie bezint

In Afrika
Zei mijn zoon die aan de massagraven in Rwanda stond
Sterven kinderen niet in bed
Niet in hun moeders armen

Mijn verdriet werd er niet minder om
Ik vroeg me af
Wat zegt hij twintig jaar later
Nu ik mijn oudste verlies
Niets dan het gaat wel hard

Morfine is voor mij nu troost
Vroeger was dat anders
Wijsheden blijf ik noteren
Inbegrepen de inscripties van mijn zoon

Sieth Delhaas