donderdag 30 april 2015

Dichterscafé april 2015

Dichterscafé april 2015 - Onderwerp:
Blackbird

Inleiding door Jos Paardekooper

Blackbird
Warempel, het is toch weer lente geworden. Dat betekent: ’s morgens weer vroeg licht, en al voor dag en dauw presenteert zich de merel. Lente is mereltijd, en vice versa. Hoewel ook de lijster zich alweer manifesteert, maar merel en lijster (turdus merula en turdus viscivorus) zitten dan ook biogenetisch gezien vlak naast elkaar op het vinkentouw.

Meer dan ooit staat de merel in het middelpunt van de belangstelling: vorig jaar uitgeroepen tot de mooist zingende zangvogel ter wereld (waar is de nachtegaal gebleven?), en sinds kort kent Nederland zelfs naast – liever: in plaats van – het Eurovisie Songfestival een heus merelzangkampioenschap. Op dit moment schiet me even niet te binnen waar de huidige Nederlandse Merelkampioen zich ophoudt, maar die in mijn achtertuin lijkt me een gevaarlijke concurrent te wezen.

De vliegtuigspotters onder ons zweren bij de Lockheed SR-71, volgens het  Handboek Soldaat ‘een Amerikaans onbewapend militair verkenningsvliegtuig’ ook wel bekend als ‘Blackbird’, zij het niet vanwege zijn zoete gezang.

Voor menig zestigplusser is de blackbird onlosmakelijk verbonden met het gelijknamige liedje van The Beatles, dat nog altijd vrijwel meteen te voorschijn komt wanneer je zijn naam op google intikt. Sinds dat nummer (‘blackbird singing in the dead of night / take these broken wings and learn to fly / you were only waiting for this moment to arise’) realiseerde menigeen zich ineens de dubbele betekenis van het Amerikaanse woord: behalve een merel (‘swartveer’ op z’n Zuid-Afrikaans) is een blackbird immers ook een negerslaaf of -slavin. Vandaar dat de blackbird in 1968, het jaar waarin het Beatleliedje uitkwam, het symbool werd van de Black-Powerbeweging, dat jaar prominent aanwezig op de Olympische Spelen in Mexico. 
Het Beatleliedje is talloze malen in het Nederlands vertaald, onder meer door Job Degenaar:

Merel zanger in het diepst van de nacht
Vlieg maar met je gehavende vleugels weg.’
(‘Merel’, in Blackbird singing, 2002) 

Ook diende het tot inspiratie voor vrije bewerkingen. Zoals van Rutger Kopland (‘Blackbird’, in de bundel Wie wat vindt heeft slecht gezocht, 1972): 
‘Hoe je als je langzaam geil wordt
gaat zingen. Zo lief en zo goeiig
zou het altijd
(…)
blackbird, ben je daar, tussen
mijn benen, take these broken
hands and learn.’

De Engelse citaten komen rechtstreeks uit het liedje van Paul McCartney, maar verder is er weinig gelijkenis tussen het gedicht van Kopland en dat van de zingende Slavinken. Dan is de ode aan de lijster van Jan Hanlo (’s Morgens) mij dierbaarder. Weliswaar is een lijster geen merel, maar dat ze nauw verwant zijn, moge behalve uit hun wetenschappelijke namen blijken uit hun beider zangprestaties, die vaak moeilijk te onderscheiden zijn. (Onder de kandidaten voor de Nederlandse merelkampioen bleken opmerkelijk veel lijsters te zitten. En nu maar hopen dat de winnaar wél een turdus merula is.)

Terwijl ik deze kleine inleiding schrijf, op tweede paasdag, 7 uur in de ochtend, landt een merel op de vensterbank van het raam waar ik op uitkijk. Met zijn knalgele snavel tikt hij tegen het raam. Ik denk dat dat instemming beduidt.

Gedichten van deze bijeenkomst:

Gedichten op het thema
Kosovo Polje door Pieter Bas Kempe
Vroege vogel door Jos Paardekooper
Vleugellam door Nele Holsheimer
Mijn ziel is een zwarte dode vogel door Michiel van Hunenstijn
Pianospel door Alfred Bronswijk
Lentegevoel door Arja Scheffer
Nieuwsbericht door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
De merel op 4 mei door Jan van Laar
De laatste door Theo de Jong
Black-Bird door Maarten Douwe Bredero
Terugblik op een merel door Herman Posthumus Meyjes
Het lied van de merel door Leen de Oude
Blackbird door Wim van den Hoonaard
Mereldingen door Cees Leliveld
Merel door Erica Rekers
Rijmpje door Tinus Derks


Gedichten zonder vastgesteld thema
Nadjezjda Mendelstam, memoires door Jan Willem Briët
La poeía me gusta door Joost Golsteyn
Zonder titel door Henry Jansen
Dwaas door Astrid Aalderink
Het evangelie volgens Bridget Maasland door Neletta van Heuven
De regenboog op grijpafstand.. door Wim Hebly

Kosovo Polje, 28 juni 1389

Een zwarte lijster wiekte boven de tent
waarin tsaar Lazar de hemel had verkoren
boven aardse roem en verklaarde verloren
vrij Zuid-Slavië voor vierhonderd jaren.

Miloš Obilic ́ kwam binnengerend
in het Osmaans bevelhebberskwartier
en doorstak Murat met vermetele zwier
terwijl de zwarte lijster bleef waren.

Sint-Vitus doodde met dans op het veld
waar het lijkwit bedekte held
en offer - de merel van 't zwart geweld
verkondde dat uren waren geteld.

Pieter Bas Kempe

(op het "Merelveld", tien kilometer noordwestelijk van Priština 
 in het Balkangewest Kosovo, sneuvelden op Sint-Vitusdag beide
 legeraanvoerders tijdens de  overwinning van de Osmaanse Turken
 op het gezamenlijke Servisch-Bulgaarse leger) 

Vroege vogel

We staan hier zowat luisteraars
oog in oog met een zwartgevederde
a.s. vader, een voorbeeldig exemplaar
maar onderwijl een harde werker
op deze bedauwde ochtend
vroeg uit de veren – de tijd vliegt

voorbij – en het is opletten geblazen
want gevaar loert alom: in gindse goot
bijvoorbeeld een Vlaamse gaai,
quasi nonchalant pennen likkend
veren schikkend snavel slijpend
startklaar om z’n kans te grijpen

en rechts, op het platje van de buren
aaibaar en meedogenloos: schijnbaar
in rust maar in opperste staat van paraatheid,
let op het lichte zwiepen van z’n staart,
voorbode van een vliegende start en wie weet
een nieuw persoonlijk record

en intussen moet er voedsel verzameld worden
want zo’n paartijd vreet energie: wormen en slakken
naast zaden pitten en wat kruimelwerk vormen
de hoofdmoot van een vezel- en eiwitrijk menu voor
krap één ons veren: een vederlicht bestaan
kortom: kater aarzelt, gaai gaapt merel fluit

een geweldige dag breekt aan.

Jos Paardekooper

Vleugellam

hij werd gevonden
op zijn tuinterras
ineengedoken in een stoel
en zonder jas
bewusteloos en onderkoeld
een egel bij een bakje voer
tussen zijn pantoffelvoeten

vrouw en ogenlicht verloren
werden dagen nachten
en ging hij buiten wachten
luisterend naar de wind
in huis regeerden muizen
geen boom of heg gesnoeid
de muren schimmelig groen

in het gele paviljoen
(een gesloten afdeling)
zat hij in de avond laat
op de donkere binnenplaats
naast een grote vogelkooi
met een zwijgende kanarie
bezoek werd weggestuurd

"laat me met rust
vogels sterven ook alleen"

op de rand van het dak
zong zacht een merel
en verdween in de nacht

Nele Holsheimer

Mijn ziel is een zwarte dode vogel

Mijn ziel is een zwarte dode vogel.
Een braadkip in een zak, dichtgeknoopt,
ijskoud in het vriesvak gestopt,
met de vleugels, hopla, los erbij.

Mijn ziel is hol en bloedeloos, HACCP bewaard.
Er klopt geen hart in die vaalrose necrose,
En er zijn geen veren om mee te vliegen,
Ik kom niet van de grond, ik krijg geen lucht.

Mijn ziel dreunt mee op een loodzware bas,
die pompt hier 's nachts. Blind en doof,
dat is nog wat ik voel, ik ben verdoofd.
Er wordt hier niet gezongen, ik ben stom.

Mijn zwarte vlerken droomden van het zwerk,
maar werden tot prooi der maden in de groeve.
Mijn ziel is geblakerd, er is geen tijd en er is
geen licht. Er is enkel zwart hier in het abattoir.

Michiel van Hunenstijn

Pianospel

De lente leeft zich uit in een prelude
van ingekleurde frisse zinlijkheid,
en overtuigend speelt zij haar etude
van wachten op een nieuwe werk'lijkheid,

die komen kan, vanmorgen, zomaar vannacht,
of die misschien al was,  al tijden lang.
Terwijl  haar spelen  dromen overbracht
ziet  zij de vogel, hoort zijn solozang.

Haar spel valt stil. Zij ruikt de jasmijnengeur.
ervaart het ijlvreemd opgenomen zijn
in een wijds heelal  van een  en al majeur.
Dan  vlucht de vogel - achter blijft haar pijn.

Alfred Bronswijk

Lentegevoel

Een scherp geluid wipt door het dichte raam naar binnen
mijn hart springt op en ik luister heel stil
naar een merel die aan de lente gaat beginnen
of trilt een stem in mij die voorjaar wil....

Arja Scheffer

Deventer, 23 januari 2015, 
op de terugweg van de cursus Pallieter bij Alfred Bronswijk, 
in het kader van de kwatrijn en geïnspireerd door het programma:
"Hoor de merel, ja ik luister" (Poëzie Hardop 1977).

Nieuwsbericht

Hels kabaal klinkt
door de ether:
kogels, bommen
eeuwenoud duet
van macht en
onmacht in verzet


Tegen de wind in
opent de lente
haar vizier

          vol leven
               is buiten
                     de lucht
                              ganzen vliegen
                                             in formatie
                              een vredesteken
                     beurtzang van
               vogel naar vogel
          klinkt op

Hemelhoog stijgt
een canon
van hoop


© Marianne H.B. van Halewijn

De merel op 4 mei

De merel in het stemmig zwart,
discreet versierd met gouden snavel
die hij fier de lucht insteekt:
nog nooit zong hij zo mooi!

De stoere eik kreunt houterig,
het lied heeft hem ontroerd.
En de altijd wakkerende wind
houdt verrast de adem in.

De hymne van de kleine vogel
hoor ik wel maar troost mij niet:
te treurig is de dood an sich,
zoveel te meer der Tod im Krieg.

Jan van Laar

De laatste

Wie zal voor mij de laatste zijn die vóór mij gaat –
de kaart, de reis, het plechtig afscheid
met te veel woorden te weinig, het weerzien
met gezichten die je niet kent, herinneringen
zien branden die je al als as dacht verwaaid,
voornemens maken van oud zeer en nieuwe pijn;
en met hopelijk de enige eeuwige, de merel
zingend hoog boven in de boom
voor degene voor wie ik de laatste zal zijn
die vóór hem gaat, de kaart, de reis,
het plechtig afscheid en
ga zo maar door.

Theo de Jong

Black-Bird

Zwart als de nacht met scherpe contouren
Diep in de nacht op bezwete lakens
Hoog en oppermachtig zonder enig spoor
Haar vrijheid in vernedering voorgoed teloor

Zo ging het om macht van een alziend oog
en die dierlijke drang ver van huis
Buiten onder de hemel zag ik niets
voelde des te meer en wist wie ik bedroog

Zoveel lust en snelheid
in een geleden tijd
Streel me andermaal diep
Ach, die supermachten strijd

Maarten Douwe Bredero

Terugblik op een merel

Mijn wereld was nog jong en ik sliep toen op zolder
waar eens de meid aan het dagelijks gesloof begon.
Grond kon ik daar niet zien, slechts toppen van de bomen;
hun innig-zacht gefluister liet ik tot mij komen
en ik zag alleen een wereld als ik die ik verzon.
De merel kweelde met een hartstocht die ik deelde
en ik dacht dat vrouwen moeder waren, hoer of non.
Het fel gezang doorboorde mijn gekooide leven,
dwars door de wanhoop heen van het ongerichte streven
en van het vermoeden van komend bliksem en gedonder.
En elke keer was het mij te moede alsof ik vlieg
was in een web, zacht als de allereerste wieg,
maar zeker van een dood die spoedig uitkomst bood.
De merel zong, maar ik was veel te jong om te weten
dat het gezang was aangetast door levensvrees
die wel bij deze, maar niet bij latere leeftijd past.

© Herman Posthumus Meyjes

Het lied van de merel

“O!” zegt het meisje.
Ze speelt verbazing.
“Ja”, zegt de jongen,
“het is een gevoelig onderwerp.”
Het meisje lacht en plukt
een handvol madeliefjes.
“Hoor je de merel?”
vraagt ze.

In de bloeiende kersenboom
zit de merel.
De jongen ziet hem,
hoort hem, denkt aan
het gevoelige onderwerp
en zegt:
“Hij zingt mooi maar
hij vliegt slecht.”

“’t Is maar wat je
belangrijker vindt”,
zegt het meisje.
“Vliegen”,
zegt de jongen.

Het meisje gooit de madeliefjes
in het gras en
staat op.
De jongen volgt haar.
De vogel is gevlogen.

Leen de Oude

Blackbird

Zwart is toch geen kleur
Dus om nou te zeggen mooi
Van zo’n duistere verentooi
Klank vormt hier de kleur

Al perst ook menig kerel
Zijn soul uit zijn schoenen
Hij laat zich steeds ontgroenen
Door een onvervalste merel

Natuurlijk blijft het geheim
Waarom wij niet zo zingen
Als deze dappere vogelijn

Al zouden wij hem dwingen
Prijs te geven al zijn pijn…
Het is de loop der dingen.

Wim van den Hoonaard

Mereldingen

Stel dat ik een dochter had gekregen
en niet twee van die bonken kerels,
had  ik haar dan Merel kunnen noemen?
Mijn Merel, de mooiste van de meisjesmerels?

Een ranke Lelie op het Merelveld?
Maar een merel tussen Lelies staat ook goed.
Het Merelveld in Kosovo telde na de Slag
geen merels meer na het verlies van al dat bloed.

 En stel je voor dat ze ooit verliefd zou raken
op zo’n ordinaire Blackbird knul
die Hallo Ouwe tegen me zou zeggen….
of: hou nou eens op met dat gelul.

Voor het zingen had ik het niet hoeven doen
want dat doen alleen de merelmannen.
En ook die associatie met dat wormengedoe
Vermag ik uit mijn blikveld niet te bannen.

Maar ik heb die keus nooit hoeven maken
en heb van meisjes lief en leed dus niets geleerd
nu zijn merels nerveuze wroeters in mijn tuin
zodat door hun gepik mijn border wordt geruïneerd.

Cees Leliveld

Merel

Ik hoor, terwijl ik naar u luister
's nachts voor het openstaande raam
uw helder gezang
en daar doorheen gefluister

over de aan u gegeven naam
Merula, merus, mer, meer - El die
Goddelijk - er van top tot veer
zuiver helder maakt

tot ik zwart voor ogen zie
ja, dat glanzende pak suit* je zeer
Maar wie is het, die ik daar hoor spreken
zo zacht, dat ik mijn oren spits

mijn ogen turen
licht zal het duister breken
zodat ik U gewaar word, in die flits.

Erica Rekers

* suit: Engels voor past.

Rijmpje

Hoe kan een mens in onze tijden
de merel van de lijster scheiden?

Ik vroeg het aan een filosoof.
Die sprak bedachtzaam: "Ik geloof,
dat in de ondermaanse wereld
de merel in de regel merelt.
Maar wat mij elke dag verbijstert
is dat de lijster doorgaans lijstert."

Ik vroeg het aan een psycholoog.
Die hield een relatief betoog:
"Wat bij de merel steeds weer wringt
is dat zij altijd liedjes zingt.
Wat haar van lijsters doet verschillen
is in praktijk slechts om te gillen."

Ik vroeg het aan een taalgeleerde.
Hier volgt wat deze gast beweerde:
"Een lijster is gewoon een beest,
een vogel, maar beperkt van geest.
Wie Lijster heet vindt nooit een kerel.
Daarin verschilt zij van een Merel."

Tinus Derks

Nadjezjda Mandelstam, Memoires.

Uit hoofdstuk 50.

In zijn jeugd dacht M. altijd na wanneer hij iets zei. Daarna kwam er een periode van lichts=zinnigheid. In 1919 – hij was toen nog heel jong – zei hij mij eens dat het helemaal niet nodig was veel boeken te hebben: de beste lezer was iemand die zijn leven lang één boek las. ‘Bedoel je de Bijbel?’ vroeg ik. ‘Bijvoorbeeld,’ antwoordde hij.
.....
‘Goed, ik houd mij daar natuurlijk zelf niet aan,‘ gaf hij toe, ‘maar toch’...
M. werd geen ideale lezer – een dergelijk eenzijdige liefde pas nu eenmaal niet in de twintigste eeuw; toch was deze terloops gemaakte opmerking niet helemaal zonder betekenis. Er zijn mensen wier afzonderlijke opinies allemaal verbonden zijn met hun algemene begrip van de werkelijkheid. Dat zijn mensen met een originele levensbeschouwing en dichters vallen hoogstwaarschijnlijk onder deze categorie, waarbinnen zij zich alleen onderscheiden door de breedte en de diepte van hun werkelijkheidsbesef. Wellicht vormt deze eigenschap de drijfveer voor hun behoefte aan zelfexpressie en kan men er aan afmeten of iemand een werkelijke dichter is. Er zijn immers ook mensen die poëzie schrijven die helemaal niet slechter is dan die van de echte dichters, maar toch ontbreekt er in hun werk iets – iedereen kan dat onmiddellijk zien, hoewel niemand precies kan zeggen waar het aan ligt. De verhalen over de dichters die door hun tijdgenoten miskend worden gaan voorbij aan de realiteit. Een dichter wordt onmiddellijk herkend, zowel door zijn bewonderaars als door degenen die aanstoot aan hem nemen. Er zijn altijd veel mensen die hij irriteert en tegen zich in het harnas jaagt. Blijkbaar is dat onvermijdelijk. Zelfs Pasternak die de instinctieve ergernis van het ongeletterde publiek zo lang en met zoveel handigheid heeft weten te vermijden en die iedereen waarmee hij sprak met zoveel weldoordacht raffinement voor zich in wist te nemen, is aan het eind van zijn leven niet aan het algemene lot van de dichter ontkomen.
Misschien brengen dichters de mensen tot razernij door hun gevoel van hun eigen gelijk  en door de ‘rechtlijnigheid’ van hun beweringen – ‘de rechtlijnigheid van onze taal is niet alleen een boeman voor kinderen,’ schrijft M. – die het gevolg is van hun organische werkelijkheidsbesef... Iedere dichter is immers een ‘verstoorder van begrippen’ omdat hij niet spreekt met de geijkte gedachte-formules die gangbaar zijn onder de mensen van zijn tijd, maar hij zijn gedachte direct ontleent aan zijn werkelijkheidsbesef. Mensen die met nette, algemeen verbreide formules leven, moeten zich wel ergeren als zij plotseling geconfronteerd worden met een ruwe, onbewerkte gedachte waar de scherpe kanten nog niet van zijn afgesleten... Waarschijnlijk bedoelde M. dit toen hij sprak van poëzie als van ruw materiaal en hij haar zelfs  oneindig veel ‘onbewerkter’ noemde dan de levende spreektaal. Mensen met een instinctieve afkeer van dit ruwe materiaal zeggen: ‘Hij hoeft zich niets te verbeelden’ (of iets dergelijks).  .....  .....
Men moet echter niet vergeten dat de dichter behalve door het ongeletterde publiek ook altijd door vrienden is omgeven. Uiteindelijk zijn zij degenen die gelijk krijgen.

En uit het laatste hoofdstuk,  “Nog een verhaal”.

[1938, in het kamp bij Vladivostok, op een zolder waar niet-politieke misdadigers verbleven. De leider van hen heet Archangelski. De heer L., die M. niet kent en zelf 17 jaar in kampen doorbracht, wordt door A. uitgenodigd] om  ’s avonds op de bewuste zolder te komen luisteren naar iemand die gedichten voor zou dragen. L. was niet bang dat hij bestolen zou worden; hij had maandenlang geslapen  zonder zijn kleren uit te trekken en zelfs een kampdief zou niet in de verleiding komen hem deze vodden afhandig te maken. Zijn enige bezit was een hoed, maar in het kamp was dit een voorwerp zonder veel waarde. Hij was nieuwsgierig naar de gedichten en daarom ging hij graag op de uitnodiging in.
Op de zolder brandde een kaars. In het midden stond een ton met daarop geopende voedselblokjes en wittebrood. Voor het kamp waar iedereen permanent was uitgehongerd, was dit een ongelofelijke traktatie – de gevangenen leefden van dunnen linzenpap, waarvan er bovendien altijd veel te weinig was. Voor het ontbijt kreeg iedereen een half glas waterige soep...
Tussen de kampboeven zat een man met een grijze stoppelbaard. Hij droeg een gele leren jas. Uit de gedichten die hij voordroeg begreep L. dat het Mandelstam was. De mannen trakteerden hem op brood en voedsel uit de blikjes; hij at alles zonder aarzelen op – hij was kennelijk alleen bang voor voedsel dat direct of indirect van de gevangenis- en kampautoriteiten afkomstig was. Er werd in absolute stilte naar hem geluisterd. Soms vroeg iemand hem iets te herhalen en dan droeg hij het gedicht nog een keer voor.

Als hout en koper – in Favorki’s vlucht,
in lagen lucht werd mij de tijd tot buur,
een vloot voor hem en mij, een rug aan rug
van blokken eik en brons van esdoornvuur.

Nog toornen in jaarringen druppels hars –
is dus het hart niets dan wat schichtig vlees? –
Dan draagt mijn hart de schuld, is major pars
van eindeloos gedijde tijd geweest.

Tijd zo verzadigd van een reeks van vrienden –
van een streng plein met ogen vol geluk.
Mijn ogen glijden als twee huisbedienden
langs pleinen met hun heraldiek.

11 februari 1937 – Voronezj
Uit: Kwartet. Vertaald en van commentaar voorzien door Charles B. Timmer, 1982

Jan Willem Briët (inleiding en voordracht)

La poesía me gusta

vierluik voor Klaas Wijnsma

Kater
dronken liggen
mijn hersens
drenkend
achter mijn ogen
in wat aanvoelt
als een plasje water
maar in feite droog
is als brood
van een gevangene

Resaca
druncén meas brainos
iácint drunçiado
por favor mis oculos
in pocito H dos O
aqua in facto drogos
comme pistoletto
de prisonner

Nuchter
fris ligt het brein
weer tussen de oren
ben aanwezig
gedrenkt
in helderheid
lucide en alert
de alcohol verdampt
traliën zijn gebogen
een weg naar contact

Sobrio
fresco el cerebro está
entre las orejas de vuelta
soy presente
abrevado en lámpara
claro y alerto
alcohol evaporado
el cerrojos torcidos
una vía hacia conexíon

Joost Golsteyn

Zonder titel

het kleurt de morgen donker
al die berichten over rampen
in NOS journaal
maar ik zoek taal
te verwoorden kracht
van opbouwende taal
van creativiteit echt waar

Henry Jansen

Dwaas

Het saai vermomd formele,
het monotone grijze
verdwijnt als plotseling de dwaas
verschijnt; hij is de wijze.

Brengt me gekheid op een stokje,
het bleef over van een ijsje,
Koopt een fluitje van een cent
en speelt daarop een vrolijk wijsje.

Dan springt hij lachend om mij heen,
de lucht danst met de berg,
het regent toverballen
en de treurwilg kust de dwerg.

Maar in de spiegeldoolhof
vlucht hij plotseling van mij heen
Ik hoor nog “kiekeboe !”,
ik draai me om, maar ben alleen.

En al het mooie van daarnet
is er opeens niet meer.
Maar ach, wat met een warm hart
losgelaten wordt keert weer.

De kleuren zijn intenser nu,
de dwaas allang verdwenen,
maar de wereld zingt zijn liedje
en wordt door de zon beschenen.

Astrid Aalderink

Het evangelie volgens Bridget Maasland

Ik heb dit jaar The Passion uitgezeten
Dat werd van hogerhand aldus beschoren
Ik moest en zou het eind’lijk zeker weten
Of lijden onze jeugd nog kan bekoren

De Jezus wordt vertolkt door Jim de Groot
De zoon van onze god-de-troubadour
Van onrecht, vrije liefde en de dood
“Geloof jij Jim?” “Welnee, de rol is stoer!”

Als Barabbas een eigentijdse rover
Uit BN-er stal van Boulevard op Vier
Dave Roelvink, ja, die supergave gozer
Juwelendief of niet, voor tieners hoog vertier

Jeroen van Koningsbrugge is de Judas
Verraadt zijn maatje Jezus met een kus
Van Eerd is Hocus Pocus Pilatus Pas
Daar gaat hij, Jezus, voorbij C1000 en de Plus

De vruchtbaarheidsgodinne Shirma Rouse
In schril contrast met uitgemergeld mensenzoon
Krijt als Maria al haar moederleed heraus
Haar zoon bezwijkt intussen onder doornenkroon

Maar dan ontmoet de lens de mensenstoet
BN-er Bridget peilt het Volksempfinden
“Gaat ie lekker?” vraagt ze, want, ja, lekker móet
Die Bridget maakt zodoende blinden ziende

“Die Jezus heeft dit écht voor ons gedaan
Zo kon Zijn Vader ons voorgoed vergeven
Straks zal Hij uit de dood ten hemel gaan
En kijkt dan of wij wel genieten van ons leven

Onwijs gaaf, te gek toch, des te meer:
Genieten is in diepste wezen… geven
Is eren van de Schepping van de Heer”
Haar evangelie heeft heel Enschede doen beven

Neletta van Heuven

De regenboog op grijpafstand...

De regenboog op grijpafstand,      (met zang en gitaar door Wim zelf)
ongrijpbaar dichtbij.
Je denkt dat je haar pakken kunt,
dan is’t alweer voorbij…
De regenboog op grijpafstand,
ongrijpbaar dicht bij.

We hebben onze wensen
verlangend naar,... ja wat!?
Zet-overboord dat hunkeren
dan gaat ons lijden  plat.

Veel blijkt een illusie
en veel blijkt schone schijn.
Wees pront op wat je dierbaar is
de tijd krijgt je niet klein...            

Je liefje blijkt niet te bestaan,
je beeld was veel te mooi.
’t Leven is vaak vals en plat
en je doet het zelf;  die zooi...

Droog daarom je tranen snel
en koester het moment..
Het leven is te kort, te broos,
weg die onrust, wees een vent!

De regenboog op grijpafstand
ongrijpbaar dichtbij…
Zoiets maak je zelden mee
in dit geval de Zuiderzee..
De regenboog op grijpafstand...,
ongrijpbaar dichtbij…

Wim Hebly

Eros, Philia, Ludus, Pragma en Agape; vijf vormen van het begrip liefde..