donderdag 26 februari 2015

Dichterscafé februari 2015

Dichterscafé februari 2015 - Onderwerp:
Où sont les neiges d'antan?

Inleiding door Tinus Derks

Où sont les neiges d'antan?

Deze dichtregel is het refrein van een van de ballades uit Le Grand Testament van François Villon (1431-1463). Ernst van Altena vertaalt deze regel om metrische redenen met "Waar is de sneeuw van weleer?". Maar dat is eigenlijk niet juist, want met 'neiges' wordt sneeuwpoppen bedoeld.
Tegen het einde van de middeleeuwen was er sprake van een kleine ijstijd. Er viel veel sneeuw en in de steden werden gigantische sneeuwpoppen gemaakt (Herman Pleij - De Sneeuwpoppen van 1511). Het refrein wordt vaak geciteerd als metafoor voor vergankelijkheid.
De ballade met dit refrein, La Ballade des Dames du temps jadis (Ballade van de Dames uit vroeger tijden) is door Georges Brassens op muziek gezet en is daardoor één van de bekendste ballades van Villon geworden.


Gedichten van deze bijeenkomst:

Gedichten op het thema

Drie ballades door Tinus Derks
Hypatia door Nele Holsheimer
Gone door Maarten Douwe Bredero
Vragen door Jan van Laar
Ooiewintervaar door Benne Solinger
Verliefd wilde je niet zijn door Michiel van Hunenstijn
Winters afscheid door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
À la recherche…et aujourd’hui door Wim van den Hoonaard
Het witte dons dat uit de hemelen dwarrelt door Joost Golsteyn
De winters van weleer door Cees leliveld
Sneeuw - winter 1963 door Diny Kim-Roubos
Winters van weleer door Niels Klinkenberg
Zachte landing door Astrid Aalderink
Les neiges d'aujourd'hui door Herman Posthumus Meyjes

Gedichten zonder vastgesteld thema
Morgenstimmung door Wibo Neigbal
Gewoonte door Sieth Delhaas
Zeearend boven IJssel door Neletta van Heuven
Sisyphus door Leen de Oude
Capítulo VII door Klaas Wijnsma

Drie ballades


Ballade des Dames du Temps Jadis                                                                                                      
Dictes-moy où, n'en quel pays,
Est Flora la belle Rommaine,
Archipiades, ne Thaïs,
Qui fut sa cousine germaine,
Echo, parlant quant bruyt on maine
Dessus riviere ou sur estan,
Qui beaulté ot trop plus qu'humaine.
Mais ou sont les neiges d'antan ?

Où est la tres sage Helloïs,
Pour qui  chastré fut  et puis moyne
Pierre Esbaillart a Saint-Denis?
Pour son amour ot ceste essoyne.
Semblablement, où est la royne
Qui commanda que Buridan
Fust geté en ung sac en Saine?
Mais ou sont les neiges d'antan?

La royne Blanche comme un lis
Qui chantoit à voix de seraine,
Berthe au grand pié, Bietris, Alis,
Haremburgis qui tint le Maine,
Et Jehanne, la bonne Lorraine
Qu'Englois brulerent a Rouan;
Ou sont-ilz, ou, Vierge souvraine?
Mais ou sont les neiges d'antan?

Prince, n'enquerez de semaine
Ou elles sont, ne de cest an,
Qu’a ce reffrain ne vous remaine;
Mais ou sont les neiges d'antan ?

François Villon


Ballade Van De Dames Uit Vroeger Tijden

Zeg mij: waar, in welk ver domein
Is Flora, die schoon van gezicht was;
Archipiades, rank en fijn
En Thais, die haar volle nicht was
Nimf Echo die tot zang verplicht was
Als men haar riep langs stroom of meer
En die goddelijk slank en licht was
En waar is de sneeuw van weleer

Heloise, ach waar is zij
Die zo schoon was en veel verstand had
Abelard trok de monnikspij
Voor haar aan, toen men hem ontmand had
En de Vorstin die een galant had
Buridan, die zij zonder meer
In de Seine wierp als een landrat
En waar is de sneeuw van weleer

Vorstin Blanche, die blank als ijs
Met haar stem menig man bekoord heeft;
Berthas, Alice en Beatrijs;
Arembourg voor wie 't Maine-oord beeft;
En Jeanne die men wreed gesmoord heeft
Ginds in Rouaan, bij 't Britse heir
Maagd, weet Gij waar elk hunner voortleeft
En waar is de sneeuw van weleer

Oh Prins, verklaar mij waar hun woon is
Want anders zing ik keer op keer
Deze keerzang die droef van toon is
Ach, waar is de sneeuw van weleer

Ernst van Altena


Ballade van de kindertijd

Zeg mij: waar, in welk ver domein
is Dik Trom,die van groot gewicht was:
Pietje Bel, die er ook mocht zijn;
Donald Duck, die als oom te licht was.
Sjors, die met spijt verplicht was
te zien dat Sjimmie zwart als teer
bij de meisjes veel meer in zicht was.
En waar is het kind van weleer?

Kap'tein Rob, zeg ons waar is hij,
deze zeerob, die nooit het land had?
Ollie B., die in onheilstij
met Tom Poes steeds 'n sterke band had.
En Paulus, die in 't bos een pand had;
de boze wolf die steeds maar weer
de drie biggen haast in zijn hand had.
En waar is het kind van weleer?

En Sneeuwwitje, die blank als ijs
zeven dwergen alom bekoord heeft.
Waar is Holle Bolle Gijs,
die van lijnen nog nooit gehoord heeft.
Het eendje dat als zwaantje voortleeft;
Moeder de Gans, die keer op keer
naar 'n welluidend slotakkoord streeft.
En waar is het kind van weleer?

Toe, zeg mij toch waar deze schare
gebleven is als ik beweer,
dat ze voor mij echt helden  waren .
Ach, waar is het kind van weleer?

Hypatia (355-415, Alexandrie)

toen ik haar ontmoette
liep zij zonder voeten
in de sneeuw van gisteren
een nevelschim in dun gewaad

een wind stak op uit
zestienhonderd jaar geleden

"mijn vader leerde mij wiskundig
denken en vragen waar de aarde
staat in het systeem van
sterren en planeten

met anderen studeerde ik de
lessen van de oude filosofen
bestuurde zelf mijn huis
genoot groot aanzien maar

heb onderschat de machtsstrijd
om mij heen de nijd de blinde
haat die zij ontketenden de
mannenbroeders hebben mij
vermoord

noem mij geen sneeuw van gisteren
denk aan mijn kleine zuster Malala"

Nele Holsheimer

Gone

Trillingen
in deze nacht
Dat eerste flitsje licht
verheft zich
als koperen plaat
als niets ontziende daad

Ziet hoe alles
wat zwart toont
nu langzaam lichter schijnt
Van blauw
naar helder wit

Branden zal hij weer
hoog
boven geluiden van de dag
Weerkaatsend vecht de sneeuw
alle kleuren
van zich af

Maar zonder kleur
wil niemand blijvend
en wint de warmte
van de kou

Dus aarde kom weer terug
zonder beeld waar
ik van hou

Maarten Douwe Bredero

Vragen

Iemand vraagt me: ‘François Villon was toch die
middeleeuwse dichter die niet wou deugen?’ Ik 
meen iemand voor me te hebben die zijn 
schoolkennis wil etaleren, maar dat laat ik niet 
merken. 

‘Zeker,’ antwoord ik, ‘hij was een dichter die de
gevangenis van binnen kende. Daar schreef hij zijn
beroemdste zin: ‘Mais où sont les neiges d’antan?’  
Ik wil verder gaan, maar blokkeer, want ik heb nu
zélf een vraag: wat betekent neiges d’antan
eigenlijk? Ik zoek het op en vind: sneeuwpoppen,
sneeuw van gisteren, en de goede oude tijd.
Toch weet ik nu wat ik antwoorden moet: ‘Wat er
ook over Villon wordt gezegd, zijn gedíchten
deugen; die deugen omdat ze niet alleen
bewondering oproepen, maar ook vragen. Zo leeft 
de dichter voort, al is zijn lichaam dood en
‘verdwenen met de wind’’.

Ooiewintervaar

“Ciconia ciconia wat ben je voor een dier?”
“Ik ben geen mus en ook geen spreeuw,
geen vinkje, aalscholver of leeuw
geen cavia of arend.
Ik ben gewoon een ooievaar
en in de zomer hier.

Maar ’s winters ga ik naar warm weer
naar Afrika ofzo,
ik vlieg het hele klere end
en wordt daar dan "warm-weer" verwend
en als het echt te heet wordt
dan vlieg ik terug naar Nederland,
dat ben ik eeuwen zo gewend.

Ik heb 1 man of maar 1 vrouw,
ik ben zo monogaam,
maar sinds ik ’s winters hier verblijf
verandert daar wellicht wat aan.
’t Is hier zo koud en oh zo kil,
wat warmte doet mij goed,
maar polygaam is ook zo wat,
ik weet niet hoe dat moet.

Nu zit ik hier wel mooi te zijn
maar mens wat is het koud,
ik vind er echt geen donder aan
zo word een ooievaar nooit oud.
En niet van mono- polygaam
‘k verander eerst mijn naam
dat is het minste dat ik wel kan doen
nu heet ik niet meer ooievaar
maar ben een: ooiewintervaar.
Dat wordt, als het een beetje meezit,
ooit eens: het nieuwe woord van het jaar.”

Benne Solinger

Verliefd wilde je niet zijn

Verliefd wilde je niet zijn, dat leek je niks.
Verliefd, het idee alleen al, nee, niet voor jou.
Toch schoot je megagieg van haar. Thuis bij jou,
bij haar, in bed, in bad, van ontbijt tot diner aan tafel,
met en zonder kleren op het balkon: duckface,
quasi boos, preuts, danseres, de hele rataplan.
Jij fotografeerde en deelde, zij deelde ook, maar jij -
jij was een prop, je bleek uiteindelijk een rekwisiet.

Je was verliefd, wist niet wat je overkwam,
maar je wiste niks. Het ging over, jij was weg van haar,
zij was weg van jou, het ging voorbij, je was van je stuk.
Je was kapot. Je was alleen, je had alleen de foto's nog.
Die had je bewaard op je computer: zat je daar om
middernacht, je ene hand op de muis, de andere hand
aan de drank -  je wilde met haar portretten de nacht in.
Kraakte daar je harde schijf. Alles weg, waar naartoe?
Net als zij: je wist het niet, daar ging je kiekjesgeluk.

Misschien was het een virus.
Je klikte van map naar spookbestand
je cursor zwabberde ongecontroleerd,
er gebeurde nu vast iets met een code,
je hoorde immers vreemd getik, dat was vast
het laatste levensteken van de virusscan.
Verliefd, dit kwam er nou van, jij zat met de brokken.
Verliefd, en jij pieste laatst, je liet graag sporen na,
een hart voor haar in de versgevallen sneeuw.

De geheugenkaart van je mobiel
was ook al blank: niks bed-, bad- of balkon-
scènes. Je was in een wrede wereld aanbeland.
Iets ging daar op het display
met haar whatsappjes aan de haal.
Je tikte eerst hardnekkig daarna wanhopig op
het scherm, als was het om haar achter het glas
van dat kleine kistje weer tot leven te wekken.
Maar het enige teken dat je kreeg,
was dat je grondig werd ontvriend.

Je keek naar buiten. De sneeuw die was gevallen,
(je dacht vreemd genoeg ineens aan 'sneuvelen'),
die was niet blijven liggen. Er was nu een modderplas
rondom je huis. Met daar de sneeuwpop van jullie twee.
Zijn grijns was scheef en was duidelijk voor jou bedoeld.

Michiel van Hunenstijn

Winters afscheid

Het had gesneeuwd;
onder de dikke vacht
leken, stilzwijgend
alle scherpe kanten
van onze onvolkomenheden
voorgoed verzacht

Hoewel ik wist
dat het moest komen,
viel toch nog onverwacht
het dooien in;
wanhopig schril
stak elk contrast weer af
                         
Het kille vocht kruipt                                          
door mijn schoenen
in mijn huiverend lichaam,
ik kijk je na en zie
hoe gaandeweg
je rug steeds verder krimpt

Alleen je voetspoor
blijft nog even
smoezelig liggen
tot het water opwelt
en ook dat verdwijnt.

Zuidenwind,
ik wist niet, dat die
zoveel pijn kon doen.

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

À la recherche…et aujourd’hui

Où sont les neiges d’antan…
trois copains d’un temp perdu
laissent donc, bien entendu,
froids les mains de d’Artagnan

Où sont les neiges d’antan…
sur le pont d’Avignon on n’y danse le can-can
mais encore une ‘ballade des pendus’
c’est aujourd’hui pour moi plus cru


Wim van den Hoonaard

Het witte dons dat uit de hemelen dwarrelt

(voilà les neiges d’antan)

aanstonds zing ik u
à la recherche du temps perdu
proestend van het huilen
flanerend langs een verlaten avenue
van gebroken dromen
fluks een beetje sneeuw
van ons geborgen weleer

zonder kwinkslag
een zachte koude dons
over uw brein leggend
waar uw gedachten weldra
weer over wandelen
knarsend en knerpend
tot de dooi intreedt
voor een dozijn decennia
en ook uw brute voetstappen
voor de ogen der rechercheurs
vervagen tot een nieuwe
schreeuw om sneeuw:

où sont les neiges d’antan
avec leurs soleils d’argent
où sont les temps d’antan
avec leur bruit d’avant
où est le printemps
où est la République
où sont nos voix
avec leurs couleurs d’éthique

u bent zoekende? ik proest, want zie

droeve deelgenoten van de totalitijdgeest
slechts geboren uit het sjabloon der kosmos
blijkt gij niet meer dan de oog geworden getuigen
van een wreed weggeslorpte ziel

onderdaan wordt u ook wel genoemd
van een beschaving die van haar kern is afgedreven
met een rietje weggeslurpt uit de baarmoederlijke
borgkelder van de wereldbol waar in ieder geval nog
een schijn van burgerlijke samenhang bestond

totdat de oogkleppen u als bliksem troffen
om slechts nog droevig inwendig donderend
met bijna imploderende pupillen de ziel van
moeder natuur tot de maan huilend te missen
met uw leeg gehoonde handen waar de trofee
der schepping door een ongekroonde antigod
ongemerkt met de kracht van duizend tsunami’s
meedogenloos schrijnend uit weggeslagen werd

monddood door het overweldigende dna
van allerlei terreur die doordringt tot zelfs de meest
zorgvuldig weggeborgen vezels van uw innerlijke netwerken
en de sinds verre voorvaderen voorgeploegde akkers
van onze veiligste dromen die ons in vroeger tijden
wisten te behoeden voor alle vormen van mentaal
verval en extreme verloedering op welk vlak ook maar
kunnen we niks anders dan lijdzaam toezien
hoe ons de grond onder de voeten is weggemaaid
door een onherroepelijke ontwikkeling van orwelliaanse
omvang waarvan de geest niet meer als heilig over de wateren
waart maar als een opperpsychopaat van het onzuiverste
water over de duistere gazastroken van ons tot gruis
en wrakstukken geschoten eens dierbare vaderland

tenzij natuurlijk
de bloemen van het kwaad verwelken en vruchtbare grond
ontstaat voor de opbloeiende paradijspracht van de schepping
tenzij natuurlijk hemel en aarde weer openbarsten en wij tot
de kern kunnen terugdrijven op een bombastisch vlot
van veilige bodem over de welluidende wateren van
medeleven en stervelingsgewijze wederopbouw

tenzij dus, o Prins… meer dan Prins, Groothertog en Koning
… Keizer van het prachtig rijk van onze kinderen
dat te midden het woeste water om de as der aarde woelt
als een forel van smaragd,
tenzij dus het puin en de gruzelementen zich herrijzen
in een avontuur van woorden en waarden waar enge
dromen weer uit mogen groeien tot grootse heldenverhalen
voor bij de haard en daar voorbij totdat van niemand de verzen
meer, wegens het stempel van slecht gesmeed te zijn,
zullen worden teruggefloten naar enig aambeeld
van wat voor tirannie dan ook

dit is dus als we opstaan uit de verlamming
welsprekend en zuiver de zee laten schuimen
dit   is   dus   als   we   doordichten…
ons lavend aan de warme kou van onze jeugd
die we werpen naar het heden

voilà
voilà
voilà

les neiges d’antan

Joost Golsteyn

De winters van weleers……..

Waar zijn uw wrede winters van weleer,
uw ijsverstijfde koninkrijk gebleven,
oh, afgedankte Wintervorst,
in uw ooit meedogenloze tirannie?
Niet langer wordt ons aardse leven
door uw dodelijke hand omklemd.
Ook uw rijk  bleef niet gespaard
voor de warme Golfstroom
van voortgaande feminisering
die al zo vele masculiene burchten trof.
Meisjes staan nu parmantig voor het bord,
leggen jolig de weersverwachting uit,
(opnieuw een lage drukgebied),
waar vroeger de Wijzen uit De Bilt
ons angst aanjoegen met hun
dreigende berichten over sneeuw en ijs.
De zonen van Hendrick Avercamp
kunnen nu geen droog brood meer verdienen.
Soms zien wij een oude bedelaar,
Koning Winter, aan het einde van zijn dagen,
ternauwernood geduld als hij jammert
om een handvol graadjes vorst,
een handjevol maar, echt niet méér.
Où sont les neiges d’antan?
mummelt hij met tandeloze mond.
Mi lanct na die, gheselle mijn,
Du coers die doot, du liet mi tleven…
Maar dit zachtaardig ouwewijvenweer
is voor mij niet waard geleefd te worden.
Stil hoop ik op een bewegingloze nacht
met twintig graden vorst
waarin ik verkruimel en slechts
mijn legende achterlaat.

Cees Leliveld

Sneeuw - winter 1963

(De koudste winter van de 20ste eeuw)

De lucht is grijs
de aarde wit
en alles wat daar tussen zit
beweegt, het brengt me van de wijs

Ik sta voor ’t raam
en kijk verrukt
het lijken watjes vers geplukt
ze landen, liggen vredig saam

De  zachtheid is ‘t
die mij ontroert
en mijn gedachten verder voert
och, was de aarde altijd wit

Ik denk en kijk
en kom tot rust
als vlok na vlok de ander kust
en voel me ongelooflijk rijk

Het sneeuwt maar door
het houdt niet op
voor mijn gedachten is geen stop
zij vormen saam een machtig koor

Ik ben bereid
en zing een lied
maar van ontroering lukt het niet
bij ’t zien van zoveel  schoonheid

De sneeuw zo teer
niet te geloven
komt alsmaar verder nog  naar boven
verplaatsen kan zich niemand meer

Wind wakkert aan
’t wordt snijdend koud
het is voor eigen lijfsbehoud
niet meer naar buiten toe te aan

Op straat geen mens
alles is stil
voor wie alsnog naar buiten wil
zijn bergen sneeuw een hoge grens

Het tafereel
dat nu ontstaat
en door geen mens zich dwingen laat
is  “GROTE KUNST” bedekt met sneeuw.

Diny Kim-Roubos

Winters van weleer

Door ongebaande sneeuw te gaan,
hoe lustig is ’t, hoe leutig!*
Maar met die winters is ’t gedaan:
niet langer sneeuwt het scheutig.

Ik gleed als kind naar school per slee;
de sneeuwpop stond wel weken,
waarna de dooi de sneeuw wegdee;
dan was de pret verkeken.

Nu zit ik hier –al bijna grijs-
met zoon en kleine kinderen
in wat men noemt: een paradijs.
’t Is heet, ach zie het zinderen:

De zon schijnt door het plexiglas.
Terwijl het vriest daarbuiten
zit ik in zwembroek in een kas,
met bier achter de ruiten.

Het sneeuwde buiten, het was glad,
te weinig om te sleeën…
Ach, in het golfslagbubbelbad
zijn kinders ook tevreden!

Maar de winters van weleer,
zijn voortaan van de baan….
Hoe leutig was het ook al weer
door ongebaande sneeuw te gaan…?

Niels Klinkenberg

*eerste twee regels: citaat Guido Gezelle

Zachte landing

Witte wolkenpluizen dansen
een vertraagde dans.
Mijn denken vertraagt mee.
Gedachten dwarrelen, ze landen zachtjes
en het vuur wil maar niet branden.
Na de derde poging laat ik het gewoon
voor wat het is, deze avond ademt anders.

De vlokken die versnellen, zich vertragen,
zich zo wattig-zacht gedragen,
Waar komen ze vandaan ?
Waar komt alles toch vandaan
wat altijd maar blijft komen ?
Waar gaat alles toch naartoe
wat altijd maar blijft stromen ?

De gordijnen sluit ik nu nog niet,
de vrede komt van buiten,
ze dwarrelt voor mijn raam.
Heel gestaag wordt alles witter.
Het vuur is uit, het uur is laat,
vertraagde vlokken vallen en het licht
van de lantaarn is ook zachter dan het was.

De gordijnen laat ik open, ik laat alles
nog maar open nu de vrede langzaam
daalt en zich zelfs als in een wonder
nestelt in mijn onderbuik.
De takken bieden teder steun,
de sneeuw voelt zich gedragen,
overbodig zijn de vragen.

Deze avond ademt anders.

Astrid Aalderink

Les neiges d'aujourd'hui

Eens, ooit, 's anderendaags, lang, lang geleden,
viel de sneeuw in dichte pakken uit de hemel,
verstikte de staalblauwe wateren,
de oranjegestippelde duinen, de boezemblanke velden,
en scheidde voorgoed de eilanden van mijn bekommernis
van het vasteland van mijn verlangen en mijn hoop.

Die sneeuwvlokken zijn allang gesmolten,
de wateren ontdooid, de verbindingen hersteld,
de geulen uitgebaggerd en de hemelen geklaard.
Maar de aardschollen zijn verschoven,
de tectoniek bleek onomkeerbaar,
de sterren stonden anders dan voorheen.

Verse poedersneeuw kraakt thans vriendelijk
onder mijn tastende voet, smelt in mijn warme hand.
Een aardlaag van vertrouwen heeft zich onopvallend
in het golvend dwarspatroon gevoegd.
Wat het al beduidt, zal ik in uw spoor wel merken.
De nieuwe sneeuw ligt losjes in door u bepaalde perken.

© Herman Posthumus Meyjes

Morgenstimmung

   (’s Morgens, in de toeristenbus, als Edvard zelf het speelt…)

Rentmeester van het inpandige verlangen
In de tuin kraakt het schelpenpad ‘Morgenstimmung’
Het hemelwater koelt dat wat ’s avonds hartstocht heette

En ik?

Ik wil niet meer zijn
Niet méér zijn
Of heel veel - of altijd
Juist altijd - altijd
En de Heer de Almacht
Als je niet oppast…
Hij roostert je ziel
Stilt de tijd en de doodsangst
Wat komt eerst - wat komt eerst

Poortwachter van het oneindige geluk
Een streng bewaakte virtuele entree dreigt te ontsluieren
Wat verborgen had moeten blijven
Buitenrust - rust de passant

En ik?

Ik wil niet meer zijn dan rust
Niet meer dan de grootste manifestatie van kracht
Niet op commando
Niet als de muziek uiteindelijk - ten lange leste - stopt
De schelpen niet meer kraken
Of als fatsoen en armoe lust en begeerte belemmert

Deurwaarder van het onverzilverde einde
De openstaande rekening wast zichzelf tot inbaar leven
- Vijf maal slaat de klok -
De avond nadert - stapvoets maar gewis

En ik?

Ik wil niet meer zijn dan het einde - het laatste
Omdat ik weet dat opnieuw ontwaken dodelijk kan zijn
Verzoening met het onvermijdelijke - stationaire status quo
Niemand komt geruisloos over het pad

En ik?

Ik heb geen alibi - geen hoger doel te dienen
En hoed mij voor de zelfverklaarde leraar
Voor veile vrouwheid
Voor verleiding
Voor verslaving aan het leven

Dat denk ik ’s morgens
Ik ben dan in die stemming

‘Want Ik ben het leven …’, zei ’ie, ‘alleen door Mij…’


Wibo Neigbal

(Bergen-Noorwegen/Haarlem-Nederland, voorjaar 2004)

Gewoonte

Zo gaat het nu altijd
thuis heb ik nog tijd zat
ik kan nog dit
ik doe nog dat
sla ik de deur dan eenmaal dicht
dan weet ik
’k heb het weer verpest
als alle keren eerder
de trein rijdt aan
ik moet nog honderd stappen gaan
en bij de acht-en-negentigste
jankt hij even
om aan te geven
nee meid, je bent weer over tijd

Sieth Delhaas

Zeearend boven IJssel

Met lange trage vleugelslagen stijgt de vogel op
De arend die de IJssel voor een zee aanziet
Hij vindt het hoogste punt, de Lebuinustorentop
Hij landt en vouwt zijn vleugels toe, kijkt rond, bespiedt

De toren is in duisternis gevat maar zelf verlicht
De vogel tilt mij uit mijn luie stoel omhoog
Het is nu hij en ik, de mensenwereld is uit zicht
Ik ben een kind dat goud vindt bij de regenboog

Neletta van Heuven

Sisyphus

De mestkever verstaat zijn vak
is ook een kundig transporteur
achterpoten omhoog kop omlaag
wij zien hem aan het werk
maar met een kleine helling
heeft hij moeite
de zorgvuldig geknede bal
rolt terug en zijn maker ook

de kever begint opnieuw
wat is nou 20 centimeter
zelfde route zelfde resultaat
herhaling volgt op
herhaling
hij wijkt niet van het
gekozen pad
een kever met principes
een aanhouder die
maar niet wint

je moet hem helpen
zegt mijn vrouw
met een klein takje
behoed ik de bal
op het kritische punt
voor terugval

van verwondering
staat de kever een moment
stil
dan begint ie onder de bal
wat grond te verplaatsen
er ontstaat een heel
klein kuiltje

missie volbracht
onze hulp is niet meer nodig

dankzij het wonder der genade
worden wij niet
door de bliksem getroffen.

Leen de Oude

Hoofdstuk VII

Vertaling van het gedicht: CAPÍTULO VII van Santiago Montobbio

Neuroot was ik nimmer en als ik toch zo ben geëindigd,
was dat nooit mijn roeping. Dus als ik het weleens had
over tunnels, balkons en andere vormen van afscheid
die voor mensen, verteerd door de herinnering aan ramen,
de onvoldoende van een hart markeerden
was dat niet omdat ik bijzonder geneigd ben tot die zaken
maar omdat men zingt van wat er knaagt en dus
is slechts woord wat liefheeft en wat pijn doet en wat voorbijgaat
net zoals het leven onbillijk
of lijden nutteloos blijkt te zijn.
   Maar al zingt men dan
van wat er knaagt
soms denk ik
dat ik in plaats van vast te leggen
wat mettertijd vergaat
wellicht had moeten proberen
met mijmer en glinsteringen
dermate aardige tapijten te knopen
dat de blik er zonder angst en smart
overheen had kunnen glijden.

Maar wie stelt er nu belang in leugens?

© Klaas Wijnsma