donderdag 27 november 2014

Dichterscafé november 2014

Dichterscafé november 2014 - Onderwerp:
Ballade


Toelichting (zie onderstaand) door Jos Paardekooper
Inleiding door Herman Posthumus Meyjes op 25 november 2014. 


Ballade
Over de ballade kan een ieder op internet veel, zeer veel vinden. Een van de eerste ‘treffers’ die op dit trefwoord te voorschijn komt, luidt al: ‘Ballade – 15 definities’. Dat biedt ons dus veel vrijheid. 
Maar tegelijk vallen er toch ook een aantal heel karakteristieke kenmerken te bespeuren. 

Inhoudelijk is de ballade in principe:
  • een verhalend gedicht (lied);
  • een gedicht waarbij het verhaal zich sprongsgewijs ontwikkelt (vgl. een stripverhaal);
  • en ook: een verhaal met een droevige ondertoon. (Dit ter onderscheiding van de ‘romance’, die wel als de opgewekte, vrolijke tegenhanger van de ballade gezien wordt.
De ballade is als dicht-, zang en dansvorm afkomstig uit Frankrijk (15de eeuw); niet toevallig is het woord dan ook verwant aan ‘bal’ en ‘ballet’. Het (oud-)Franse werkwoord ‘balar’ betekent dansen.

Dat de ballade vaak ook gezongen wordt (wie kent niet ‘De Zuiderzeeballade’?) komt in zijn vormkenmerken tot uiting:
  • bestaand uit een aantal even lange strofen (tussen de vier en tien regels);
  • vaak eindigen die strofen op eenzelfde regel (de zg. refreinregel).
  • de laatste strofe hoort eigenlijk gewijd te zijn aan de opdrachtgever (meestal de plaatselijkeheerser), en heet daarom wel ‘envoi’ (opdracht) of ‘prince’.  Dit kenmerk is in de loop der tijden vrijwel verdwenen.
          ~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~
                    Wie schrijft die blijft; wie dicht die spicht

Nogmaals: spichten dichten

Korte cursus ‘Spichten dichten’, aan de hand van Drandus P.
ook ontdekt u onbelichte kwaliteiten (een of twee).

Op veler verzoek nogmaals de belangrijkste kenmerken van een spichtdicht, een genre dat door de onvolprezen Drs. P in het leven is geroepen:

-  acht regels, verdeeld in twee groepjes van vier;
-  alle regels bestaan uit vier lettergrepen, met de klemtonen op de eerste en derde (hiertegen 
   wordt in ons gezelschap veelvuldig gezondigd, maar het is wel elementair);
-  maar de laatste regel van beide kwatrijnen telt slechts drie lettergrepen, met de klemtonen op de
   eerste en derde; 
-  het slotwoord van regel 4 moet rijmen op dat van regel 8.

Tip: neemt u als voorbeeld het klassieke:

‘Uren dagen
maanden jaren
vliegen als een
schaduw heen.

Ach wij vinden
waar wij staren
niets bestendigs
hier beneen.’

… dan hebt u  al een bijna volmaakte ‘spicht’ te pakken. BIJNA volmaakt, want de extra moeilijkheid zit hem in het vijfde en laatste voorschrift:

-  de zesde regel telt niet alleen vier lettergrepen, maar dient ook per se te bestaan uit 1 
   vierlettergrepig woord! Dat is vaak lastig, en dit is dan ook de regel waar verreweg het meest 
   tegen gezondigd wordt, ook ten onzent. Advies van Drs. P zelve: begin met na te denken over zo’n
   vierlettergrepig woord, en maak van daaruit uw spicht.

Wilt u een (technisch) volmaakte spicht: leest u de aanhef er nog eens op na. Of zie de variant op ‘Uren dagen…’ door Drs P:    
 
Uren dagen
maanden jaren
vliegen als een
schaduw heen.
Ambtenaren 
uitgezonderd
geldt die wet voor
iedereen.
~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~~


Gedichten van deze bijeenkomst:

Gedichten op het thema
Antiballade door Tinus Derks
Ballade van een luiaard door Diny Kim-Roubos
Bond door Maarten Douwe Bredero
Gelukkig door Jan van Laar

Bomenballade door Wim van den Hoonaard
Ballade van de gestolen uren door Herman Posthumus Meyjes

In Baden-Baden moet je wezen! door Cees Leliveld
Schemerzintuig door Joost Golsteyn
Ballade voor de mensheid door Erica Rekers
Pantserkruiser Havenkwartier door Pieter Bas Kempe
Ballade voor het ongewenste kind door © Marianne Sorgedrager
Ballade van een 19e Eeuwse botenbouwer door Nele Holsheimer
Ballade van de graaf de Marchant et d’Ansembourg door Anna Wiersma
De Ballade van de Prince door Niels Klinkenberg
Ballade van een hondenhaatster door Neletta van Heuven

Gedichten zonder vastgesteld thema
De bibliofiel door Neletta van Heuven
Das Gute ist immer da door Michiel van Hunenstijn
Oorzaak & gevolg door Leen de Oude
Jachthaven door Arja Scheffer
Werk in uitvoering….dichten is schrappen..door Dick Smeijers
Modern Life door Astrid Aalderink
Limmerick (2x) door Henry Jansen

Spichtdichten

Kleur bekennen  (semi spicht) door Astrid Aalderink
Mijn fotoalbum door Diny-Kim Roubos
Het vermoedelijke einde door Jan van Laar
Drie spichten door Benne Solinger
Levensloopje door Jos Paardekooper
Spiecht door Wim van den Hoonaard

Anti-ballade

Men zegt dat ik een dichter ben
en vraagt met klem om een ballade,
maar nu verbleekt mijn dichtersgen.
Helaasheid treft mijn zoektocht en
ik lijd geheid aan een blokkade.

Een olbol schud ik uit de mouw,
maar hoe fabriek ik een ballade?
Geen inspiratie, geen know how.
Ik peins mijn hersens bont en blauw.
Ik lijd geheid aan een blokkade.

Een spicht is mij een peuleschil,
maar in verhouding tot ballade
is deze versvorm slechts paskwil.
Mijn faalangst stoort mijn goede wil.
Ik lijd geheid aan een blokkade.

En villanelle, weer zoiets,
onvergelijkbaar met ballade.
Als rijmwoord kom ik slechts op fiets,
dus mijn ballade, dat wordt niets.
Ik lijd geheid aan een blokkade.

Vraag een sonnet en ik sta klaar.
Zo'n keurslijf mis ik bij ballade.
Met beide handen in het haar
zit ik terneer en ik verklaar:
Ik lijd geheid aan een blokkade.

Envooi
Beklagenswaardig toon ik mij.
Talentloos ben ik voor ballade.
Hier eindigt dus mijn poëzij.
Ik lijd geheid aan een blokkade.

Tinus Derks

Ballade van een luiaard

En zo begon die koude dag
ver  voor het ochtendgloren,
het bed was warm; een hard gelach
die zoete rust te moeten storen.
Maar ja, er zat niets anders op
dan opstaan en de kou trotseren.
Het viel hem zwaar, maar in zijn kop
dacht hij: ik moet het maar proberen.

De eerste stap was ’t koude zeil
waarop hij moest gaan landen
en het water had bepaald niet ’t peil
om zich er aan te branden.
Het tempo hoe hij alles deed
was voor zijn doen te hoog
--dat meld ik hier  opdat gij weet--
dat het er niet om loog!
Heel dik gekleed ging hij op stap,
hij nam de kuierlatten,
vermande zich, zette zich schrap
om maar geen kou te vatten.

Hij werkte wat, maar o die pijn,
ging hem door merg en been,
hij was aan ’t eind van zijn Latijn,
waar moest hij er mee heen?

De dokter constateerde vlug,
uw  neus en oren zijn bevroren,
kom met drie weken maar eens terug,
--mocht dit advies u niet bekoren—
dan waarschuw ik met  klem:
“een ander lot zij u beschoren”,
als u niet luistert naar mijn stem.
“Er is slechts één ding dat u redt,
de warmte van uw eigen bed”.

En voor zover het mogelijk was
ging hij verblijd naar huis
met in zijn hoofd het mooiste lied
“mijn bed wordt nu mijn  thuis!”,
En werken is voor mij taboe,
wat  wil ik nu nog meer;
voorlopig word ik ook niet moe
en dank de lieve heer.

Diny Kim-Roubos

Bond

Weet nu weer hoe het stuit
een drang om voor óp te blijven
naar die krochten van het kruis

voor dat duister zonder knevel
door adem warm als nevel

Een streling langs gebogen huid
onder haren smachtend golvend nat
ogen draaiend in dempend geruis

door adem kil als nevel
vóór dat licht zonder knevel

geklater van een heldere lach
vroeg in de morgen bij
het krieken van de dag

eerder was het zó gewoon
en wisten wij niet anders nu
alleen nog in gedane droom

Maarten Douwe Bredero


(retroperspectief op toneelvoorstelling 'Scenes uit een huwelijk'
in de Amsterdamse Stadsschouwburg op 2 november 2014).

Gelukkig (Ballade)

Gelukkig ben ik,
zij en ik zijn buren,
nooit zal mij dat storen;
zelfs vanachter muren
kan ze mij bekoren.
Wanneer zal ik mogen
koesteren haar oren,
staren in haar ogen?

Gelukkig ben ik
als ik haar mag groeten,
maar haar wilde haren
en nerveuze voeten
duiden op gevaren:
word ik soms bedrogen?
Ik kom tot bedaren
met betraande ogen.

Gelukkig ben ik,
stápel op haar grollen
en haar capriolen
als ze loopt te dollen.
Wij zijn tegenpolen:
zo kan ík bevlogen
luist’tren naar violen
met gesloten ogen.

Prins, luister toch, ik heb je niet belogen,
gelukkig ben ik, maar helaas met mate,
gelukkig ben ik, maar zal mij dat baten?
Mij rest haar te veroveren naar vermogen.

Jan van Laar

Bomenballade

Een boom heeft wel iets treurigs
al denk je soms van niet,
hoe hoopvol en veelkleurig
groeit elke nieuwe spriet
die tak wordt en dan kraken gaat
en blad verliezend kaal
soms ontworteld weerloos wankel staat
als in een triest verhaal.

Dat wij bomen medeplichtig maken
aan amoureuze en amourloze zaken
die gekerfd staan in zijn bast;
initialen, kogelgaten, opgepast!
Want een boom die alles ziet,
eeuwen verleden heeft te dragen,
je kunt hem alles vragen,
maar een antwoord geeft hij niet.

Je gebruikt een boom om tegen te botsen
of je manlijke urine te horen klotsen,
je kunt hem onthouten voor bruikbare bouwsels
of als brandhout voor diverse brouwsels,
als kind kon je er fijn in klauteren
en speuren naar kabouteren,
vaak geeft beschutting zijn bladerenkroon;
hij heeft zich onmisbaar gemaakt, de boom.

Daar staat-ie dan, de boom,
een gestalte in de coulissen,
waar ‘tussen daad en droom’
tijd zijn bloesem doet bevriezen,
maar zolang wij hem rustig laten
groeien zijn takken naar het licht,
misschien heb je het al in de gaten:
jouw stamboom heeft jou opgericht.

Mijn Boom, Hij weet mijn ziel te helen,
als een god, maar Hij is met zovelen!
Ik weet het, ik uit mij wat onbeholpen,
maar tot hier heeft de Boom mij geholpen.

Wim van den Hoonaard

Ballade van de gestolen uren

voor E.R.


Geluk huist in 't gestolen ogenblik
dat ik ontvreemd uit aan mij vreemde tijden.
Ik mik op het uur waarin ik u verstrik
en waaruit ons geheim zich af laat leiden.
Straks zullen onze paden zich wel scheiden,
maar daarvan wil ik nu niet horen.
Eens waren wij zo een uur tezaam, wij beiden;
Geluk schuilt in 't gestolen ogenblik.

Het is de kracht waarover ik beschik
die ik aan uw hand, uw stem, uw blik wil wijden
uw leven, en uw innerlijke ik.
Al zou de hele wereld mij vermijden,
ik persevereer en doe geen stap terzijde
–- mij is geen ander lot beschoren,
geen ander lief kan mij nog ooit verleiden –-
Geluk schuilt in 't gestolen ogenblik.

Tot aan mijn dood, mijn allerlaatste snik,
zal ik tijds straf en wreed regiem bestrijden.
Ik ondermijn en ruk en wroet en wrik
totdat ik weer een uurtje kan bevrijden.
om met u het oude samenzijn te leiden
en alle droefheid in de kiem te smoren.
Hoe zullen onze harten zich verblijden,

want 't geluk schuilt in 't gestolen ogenblik.

Prins Onrust, naar wiens luimen ik mij schik,
ik ben een dief van tijd, dat laat zich horen,
maar 'k zing 't gelijke lied als steeds tevoren:
het geluk schuilt in 't gestolen ogenblik!

© Herman Posthumus Meyjes

In Baden-Baden moet je wezen!

Het kan in Baden-Wuertemberg zijn
Of nee…..het is in Baden-Baden!
‘k Heb daar familie in de rechte lijn
Men handelt er in wormen en in maden.
Hun bedrijf ligt gunstig aan een kade
en het gaat die luitjes naar den vleze
ze eten daaglijks kip of karbonade.
Ja, in Baden-Baden moet je wezen!

Ballades? Daarvan hebben ze geen kaas gegeten
ze luisteren liever naar een mooie serenade
van dat gerijmel willen ze niets weten!
maar kijken wel graag naar een cavalcade.
Ze zijn niet van de woorden maar de daden!
Al worden kloeke boeken graag door hen gelezen
en ook wel geïllustreerde bladen.
Ja, in Baden-Baden moet je wezen!

Ze zorgen ook regelmatig voor sensatie;
Dat verwacht je niet van wormen en maden!
Ze introduceerden een verrassende  traktatie:
Stukjes worm in repen chocolade;
Ze zijn daarvoor met complimenten overladen
Je kon het ook in alle kranten lezen;
Ideetje van de Meisjes van Verkade
Ja, in Baden-Baden moet je wezen!

Viel Erfolg voor hen in good old Germany
al is het wel vaak sappelen en pezen.
Een Duitse versie van All in the Family:
Ja, in Baden-Baden moet je wezen!

Cees Leliveld

Schemerzintuig

ivoren spasmen
kerstenen de nacht

dat is slapen

het klapwieken
van de geschiedenis
ontregelen

dat is waken

daartussen

ligt een wereld
zonder naam

daartussen
wentelen zich zeeën
rond spartelende vissen

daartussen
spelen vogels percussie
op een sapgroen eiland

en scheppen wij
ongefnuikt en fosforbleek
een dansende ster

Joost Golsteyn

Ballade voor de mensheid

leven versus willen


Een mens vormt zich binnen afgesproken regels
een leven liefst geheel bekend
dat zich veelal afspeelt tussen stenen, op tegels
en omdat gewoonte gewend
binnen lijntjes kleuren was altijd al de trend
maar zou men dit ook kunnen betreuren
want leven oh leven waar vind ik nog jouw talent
wanneer een mens zich slechts vormt binnen afgesproken regels

zo anders dan die vis in het water vloeit
die, kom hoe heet hij ook al weer
die groter in een gegeven ruimte groeit
wanneer hem die gegeven wordt keer op keer
wat is het dat ik als mens hieruit leer
wat laat die kracht van herhalen gebeuren
zo dalen vervlogen dromen neer
naast een mens die zich vormt binnen afgesproken regels

loopt het niet overwogen levenspad
waar leven leidt tot onbekende wegen
licht en kleurrijk en samen met Dat
waar het continent ontstegen
door hoog in de vlucht aaneen diep in de duik geregen
ervaringen de schepping opfleuren
maar leven blijft die nabijgelegen kans
wanneer een mens zich slechts vormt binnen afgesproken regels

Prins Leven wiens grillen uitgedeeld als zegels
terwijl Liefde hoofd, hart en buik laat scheuren
opent de mensheid nog ongekende deuren
wanneer een mens zich ook vormen gaat/laat/mag buiten afgesproken regels.
                             
Erica Rekers

Pantserkruiser Havenkwartier

of een Spichtige Balade door Deventer Wateren

Zwarte Silo houdt van Pothoofd,
aan de overkant der baan:
die gepunte oorlogsscheepsboeg
zoekt een vredesduifbestaan.

Om de ware te bereiken
in ’t bestaan van alledag
hijst de Silo, noodgedreven,
laatstenmaals de oorlogsvlag:

stoomt het zo vertrouwd kwartier uit,
kiest het vrije, klieft de hef…
Verkeerslogistiekonvriend’lijk
weliswaar, doch welk een lef !

Binnenwater eens verlaten
wordt de IJssel opgekoerst,
alwaar Silo l’Amoroso,
géenszins bleu dan wel omfloerst,

ferm de steven’t oosten toewendt
en bezegelt liefdes pact:
Pothoofd, o zo teerbeminde,
midscheeps op de bek gepakt!
Intens zeekoortsig verzaligd
volgt verzadigd rechtsomkeert:
langs getoeter, hefruïne,
kaairumoer wordt aangemeerd,

waarna Silo fluks die vlag strijkt
en de vrede hijst in top,
zonder enig plannensmeden
voor nògmaals het ruime sop.

Zwarte Silo houdt van Pothoofd,
zo weet nu heel Deventer:
door die waterkuieringen
des te liefdeslevender!
(Ballade: Frans voor kuiering, of ommetje)

Pieter Bas Kempe

(met dank aan Bertolt Brecht, Kurt Weill, Cees Buddingh’, Dalida en Anneke Grönloh)

Ballade voor het ongewenste kind

Hij was nog niet geboren maar al ongewenst
hij leek gezond maar huilde dagelijks veel:
wat moet een peuter, nauwelijks nog mens,
tegen een kille muur van onbegrip en afkeer.

Wat hij ook deed of juist ook liet, het deugde niet,
hij werd beschimpt, bestraft en kreeg vaak slaag
de kleuter werd een lastpost door zoveel kritiek,
hij huilde nooit, maar zweeg, zon soms op wraak -

Hij ging naar school en leerde graag en snel
het was er veilig, stil en warm, hij deed zijn best:
de meester was tevreden, prees hem somtijds wel
maar eiste van hem meer dan van de rest.

Thuis hoonden ze hem voortaan des te meer:
wist hij zoveel, stom jong, wat dacht hij wel,
een bolleboos? - Het was wéér helemaal verkeerd
hij bleef het lastig kind, brutaal en ongewenst.

Het joch werd ondanks alle tegenwerking groot
en groeide eenzaam tegen de verdrukking in
al wenste hij zich soms maar liever dood,
hij zette door en zocht naar wezenlijke zin.

Hij droomde eens van kinderen zonder thuis,
hun ouders waren dood of blijvend ziek:
daar moest hij wat aan doen, dat daagde uit -
als antwoord hoorde hij opeens muziek.

Het zong in hem, hij had een zinvol doel
het gaf hem kracht, hij wist zich slim èn sterk,
hij straalde licht; het werd zijn ouders nu genoeg:
die vent, hun zoon, leek duivels: hij was gèk.

Maar hij kocht van zijn spaargeld een stuk grond,
ging eigenhandig met volharding aan het werk
tot er een huis met heel veel kamers stond,
een grasveld achter, vóór een rozenperk.

Hij kon er nu gaan wonen, eindelijk echt onderdak –  
er was geen afscheid toen hij blij vertrok,
nog immer was hij ongewenst en met gemak
deed men gewoon alsof hij niet bestond.

Een bed, een kast, een tafel en een stoel
was alle huisraad die hij nodig had
nog nooit was hij zo rijk voor zijn gevoel,
ten slotte veilig sliep hij tot de nieuwe dag.
Die morgen leek het huis met kinderen gevuld
hun lachen, stoeien, spelen, druk gepraat,
en vielen er soms tranen, hij zou met geduld
hen troosten, verhaaltjes vertellen voor hun slaap.

Maar . . .  de volgende nacht was er vreemd gedruis:
gemorrel bij het raam, een prikkelende geur
drong onweerstaanbaar door het hele huis
ook tussen de lijst van zijn slaapkamerdeur.

Geknetter van vlammen, laaiend vuur -
het was niet alleen zijn droom die opging in rook.
Hij was beschaamd en verlegen met zijn figuur
toen hij zijn weg vond naar de hemelpoort.

Wijd open ging de deur, er klonk een warme stem
vanuit een gulden gloed, betoverend mystiek
‘Treed binnen en wees welkom, gij geliefde mens’ -
er was applaus en toen recht hemelse muziek.

© Marianne Sorgedrager

Ballade van een 19e Eeuwse botenbouwer

"Vlotters" uit Beieren en 't Zwarte Woud
dreven vlotten van boomstammen over
Donau, Rijn en Lek, heipalen van hout,
waarop stadshuizen werden gebouwd
in de delta van water en moeras...

Mijn overgrootvader van vaderskant,
reisde, toen hij amper twintig was,
in achttienhonderddrieenvijftig,
met de vlotters naar het oosten,
uit het deltaland stroomopwaarts.

Willem Kors A., scheepstimmerman,
kwam in Hongarije in Boedapest aan,
vond op een scheepswerf arbeid,
leerde duits voor 10 cent per week
en droomde zijn droom van vrijheid,

waarover hij sprak met een jonge vrouw,
"...een eigen botenwerf",en ook al kon zij
hem niet goed verstaan, trouw keken
haar ogen hem aan. Zij is meegegaan
naar dat land van water en moeras...

Samen reisden ze moedig stroomafwaarts
langs Donau en Rijn en aan de oever
van de Lek, waar nog overvloedig
zalmen zwommen, is hij begonnen
met het bouwen van zalmschouwen.

Haar overvielen de vreemde taal en de
rivier, die met eb en vloed soms bijna
binnenkwam, dan was het goed, dat
hij haar lachend in zijn armen nam,
in dat land van wolken, wind en zon.

Zo zeilde hun boot op goed geluk
door lente, zomer, herfst en winter.
Zij kregen gezonde zonen, tot bij
het derde kind de dood haar heeft
genomen en duisternis zijn hart.

Hij brulde tegen de storm haar naam,
de storm scheurde hem aan flarden,
"mijn boot zal zonder jou vergaan"...
Door de rusteloze delta, door regen
en tegenwind, zeilden zijn zonen
        zijn boten voort...

Nele Holsheimer

Ballade van de graaf de Marchant et d’Ansembourg

Als hij berooid was, leefde hij op grote voet.
‘Een boom kwijnt weg, als hij niet groeit naar eigen aard’.
Talent en vrijheid was zijn grootste goed.
Fotografie, muziek, ’t was hem het meeste waard.
Hij leefde groot, hij zag de zon.
De man, bij wie echt alles kon.

Kosmopoliet was hij, die woonde te Lausanne, Praag, Rome,
in Schinnen, Bangkok, Zeist en in de Pijp te Amsterdam.
Van al het schone in Italië, bleef hij dromen.
Toch kon hij ’t leven nemen, zoals het kwam.
De man, bij wie echt alles kon.

De voordeur altijd op een kier,
voor jong talent of grote naam, als hij er was.
Hij leefde vrijuit, in het nu en hier.
Hij was de beste van de klas.
Of hij verloor, of dat hij won,
hij bleef de man, bij wie echt alles kon.

De Erardvleugel liet hij zelf, zelden klinken.
Hij vond zichzelf veel beter met de camera.
In schone klanken, kon hij wel verdrinken,
de beste Franse kazen en wijn, serveerde hij hierna.
In beide kunsten, school de zon.
Voor deze man, bij wie echt alles kon.

Toen kwam de tijd met zijn geliefde, Dominique.
Zijn naam en passie (nog) door te kunnen geven,
dat was zijn hoop en wens, maar ’t was te laat.
De man die alles kon, bleek ongeneeslijk ziek.
Prince, zeer bijzonder mens en man, die durfde leven.

Anna Wiersma

De Ballade van de Prince

Luistert allen! Hoort hoe Willem
destijds aan zijn einde kwam;
hoe een onverlaat uit Frankrijk
schietend hem het leven nam!

Het was de tijd der Spaanse furie,
van beleg en van de pest,
toen – in Dillenburg geboren –
de Prince reisde richting west.

Willem huwt in al die jaren
vier keer, tactisch, een chérie:
eerst twee Anna’s , dan Charlotte
en tot slot met Colligny.

Wim was vriend van onze keizer:
Karel vijf. Maar ontevree,
was hij later, met de koning
van Hispanje, Phillips II.

En met Alva raakte Willem,
nádat hij zich eerst nog schikt,
als de Prince van Oranje,
regelmatig in conflict.

Vrienden heeft hij, maar ook velen
die hem haten als de pest:
katholieken, protestanten,
hugenoten en de rest.

Daarom kwam van Spaanse zijde
een plakkaat dat wijzend zei:
“Deze Prince van Oranje
Is van nu af vogelvrij!”

En dat heeft de Prins geweten:
velen wensten hem de dood.
Hij ontsnapt aan aanslagplegers
meestal maar ternauwernood.

Een Franse man -  nu wordt het ernstig - ,
Trekt zijn wapen, onbevreesd,
En de Prince van Oranje
Is er dan toch echt geweest.

De kogelgaten, ach u kent ze,
Getuigen van zijn ernstig wee.
Daar in Delft sprak hij de woorden:
« Dieu, mon Dieu! Ayez pitié….! »

Triest voor hem. En voor zijn liefje
was het drama daar compleet:
weduwe, was –plots- Louise;
voortaan in het zwart gekleed…

Maar wat ginder met die Gerards,
met die Balthasar geschiedt,
U, mijn waarde landgenoten
kent zijn droevig lot echt niet.

Als u sterk bent, en niet flauw valt
bij een bloedig tafereel,
lees dan verder, maar ik waarschuw:
het grijpt u vast straks naar de keel!

Na een wilde achtervolging
ergens in een Delftse straat,
vangt men hem, die Franse Gerards;
Balthasar, de onverlaat.

En de rechtbank, middeleeuws nog,
wil hem niet alleen slechts dood,
maar het vonnis is heel heftig:
straten kleuren daardoor rood:

Eerst de hand die het schot loste:
deze moet eraf, heel wreed:
met een tang knijpt men die hand af;
de tang is – echt waar – gloeiend heet.

“Dan,” zo vervolgt de rechter,
-opdat ú het echt begrijpt -
“gebruikt men weer die hete tang
waarmee men Gerards’ vlees afknijpt

tot op het bot.” Het sissend vlees
Geeft wat meer dramatiek,
En dat is waar men toch voor komt,
Dat middeleeuws publiek.

Dan snel vier paarden opgesteld,
de touwen vast gemaakt;
de zweep en dan:  Hop in galop,
totdat het bot echt kraakt,

en Balthasar, ééns een geheel,
door toedoen van vier dieren:
hij ligt gespleten op de grond.
Opeens is hij in vieren!

De rechter zegt: “nu, luistert beul,
ook als het u benart:
pak uw mes en snij gezwind
uit zijn lijf, diens hart,

en smijt dit dan met al uw kracht
in Balthazar’s gelaat,
opdat hij dan de ernst beseft
van zijn euveldaad.”

En daarna - want hij moet echt dood –
moet Balthazar onthoofd;
dat heeft de Rechter immers aan
het Hollands volk beloofd.

Vier ‘leden’ worden dan getoond,
zoals dat immers hoort,
bij Ketel-, Haag- en Oost- en bij de
Waterslootsepoort.

En vóór het huis van wijlen Wim
-Louise tot vermaak-
staat dan het hoofd van Balthazar
gespiest op houten staak.

Wat later steelt een priester dan
het hoofd, om mee te zeulen
als een trofee naar het paleis
der bisschop, daar in Keulen.
---------------------------------------------
Wat leert ons dit, geacht publiek?
Wat is van dit de les?
Wellicht dat dit de lering was
voor mensen van IS!

Niels Klinkenberg

Ballade van een hondenhaatster

Hoe komt het toch dat mensen honden willen
Die zucht naar hondjelief is blijkbaar niet te stillen
Egypte werd geteisterd door de sprinkhaanplaag
De Middeleeuwse pest heeft half Europa weggevaagd
Wij vrezen nu ebola en bestrijden fluks de vogelpest
F 16’s, onze jongens, knallen fanatieke moslims neer
En onze echte zwarte Pieterknecht bestaat niet meer
Maar wie maakt zich druk om huizenhoge hondenmest

Waar komt het toch vandaan die dolle hondenhype
Hondenvrienden praten zelfs met hondje via Skype
En menig hondenechtpaar werd verliefd At First Bite
Door hun hondje uit te laten, effectiever dan de datingsite
Een hondje op of aan de arm is even trendy als een Gucci-tas
Het schatteboutje hip gekleed mag baasje innig zoenen
Op de rode mond, de gekte staat nog in de kinderschoenen
Ik voel mij eenzaam in mijn afkeer van het hondenras

Ooit werd ik door een grote herdershond gebeten
Ik aaide slechts heel lief, toch werd het mij verweten
Mijn arm werd wreed geïnjecteerd met tetanus
Hondjelief werd teder op zijn vieze bek gekust

Vergezelde ik mijn pa, huisarts, bij thuisbezoeken
Belaagd door keffers op ‘t erf, hoorde ik hem vloeken
Eens bezocht hij chique dame voor inwendig onderzoek
Haar Chiwawa beet hem telkenmale in zijn broek
Toen keilde hij het beest over haar glanzende parket
Haar schat belandde keurig onder het antieke kabinet
Mijn pa was klaar met haar en groette ook de hond beleefd
Zij snelde ijlings naar haar stille schat, … die bleek gesneefd.

Ik werd volwassen en verliefd op man met … honden
Die honden mochten nota bene slapen op zijn sponde
Ben schielijk onder zijn behaarde dekens weggegleden
Maar voelde mij terstond van alle kanten fiks bereden
Onverdraaglijk ook de stank, de kwijl,  de natte snuiten
Ik vloog het bed uit, rende in m’n blootje snel naar buiten
Hij mij achterna, berispte boos, wat doe jij  dwaas en zuur
Zij zijn mijn dierbare kroost, ’t is immers hun natuur!
Even later gleed ik met mijn tas in donker uit over zijn stoep
En nog wat later reed ik in mijn Saab en rook het: hondenpoep

Laatst zag ik lopen een schoothond met zijn vrouwtje
Zo te zien: haar laatste passie aan een touwtje
Een manlijk wezen eindelijk getemd is veilig strelen
En thuis kan hondje lief met poesje spelen
Nee, nee, ’t is niet wat u nu denkt, kom aan
Dat heeft haar hondje echt nog nooit gedaan!

Ik was net komen wonen aan de Nieuwe Markt
En had mijn kleine voortuin keurig aangeharkt
Toen buurvrouw acte de presence kwam geven
Naast haar kwispelden twee jonge tekkel-teven
Handen net geschud piste teefje vol over mijn schoen
Riep zij verbluft: dat heb ik onze schat nog nooit zien doen

Onlangs lag er weer een verse drol pal voor mijn hek
Ik kon er niet meer tegen, dit werd mij echt te gek
De zoveelste hoop stront, ik raakte buiten zinnen
Het was nu hond of ik, ik  móest wel iets verzinnen

Nu weken later is geen hond meer te bekennen
Dat is ook weer vreemd, voor de buurt is ‘t even wennen
‘Buurman’, vroeg ik vals, ‘waar is ’t mondaine hondenvolk gebleven?’
‘Alle honden dood gevonden, baasjes zijn in quarantaine, op Brinkgreve’

Tja, ik beken, hier, ‘k heb op alle hondendrollen rattengif gestrooid
Ik zweer het op mijn blauwe ogen, anders doe ik zoiets, … nooit.

Neletta van Heuven

De bibliofiel

Villanelle op Das Gute ist immer da

Kent u de bibliofiel, een uitgestorven ras, weldra
In Deventer zie je dit vreemde volkje nu nog lopen
Altijd in de richting van  Das Gute ist immer da.

Dit volk is vredelievend en komt niemand ooit te na
Stil en tevreden, zodra ze hun geliefde boekje kopen
Bij voorkeur in Jan’s eigen Das Gute ist ja immer da.

Minstens een boek per week, wie doet hen dat nog na
Iedereen wil chatten, app-en, skypen, twitteren, bezopen
bezigheden, de bibliofiel … een uitgestorven ras weldra

Steeds vaker zoeken zij vertroosting bij elkaar en ja,
Dan lezen zij elkaar bezield gedichten voor, zo hopen
En geloven zij opnieuw: Das Gute ist noch immer da.

Liefst urenlang verblijven in de stille en serene pijpenla
Vol échte boeken, of …  dromerig langs trage IJssel lopen
De bibliofiel sterft uit, loopt nergens meer, weldra

Laatst in de maneschijn, zij kwam de IJsselkade krap te na
Er was een eind gekomen aan haar kopen en haar hopen
Verlangend naar iets hogers heeft zij zich bewust verzopen
Eind’lijk rust gevonden in …  Das Gute …  jénseits immer da.

Neletta van Heuven

In het kader van de dichtwedstrijd voor het antiquariaat 'Das Gute ist immer Da' te Deventer.

Das Gute ist immer da

 Een grauw busje stopte voor de deur, ik had om een opkoper gevraagd.
'Das Gute ist immer da meneer, aangenaam'. Ik wees hem de bibliotheek.
Hij liet zijn ogen langs de planken gaan. Das Gute ist immer da,
hij moest 'ns weten: ik was in de rouw: vader was net dood.
Alles moest weg, eerste drukken, in leer gebonden reeksen,
ex libris, gesigneerd - eeuwen keken hier op de lezer neer.

De antiquair rook naar tabak, zijn haar vlamde rood.
Hij zei: 'dit is lastig meneer, de markt is slap.
Achterberg, Nijhoff en Gerhardt, wie leest dat nog.
De markt vergrijst, gedichten zijn voor oudjes'.
Hij liet de bandjes door zijn handen gaan, bladerde,
ik zag de onderstrepingen, de streepjescodes
van mijn vader, sporen van een bedrukt bestaan.

'Zevenhonderd euro, bent u van die stofnesten af. Wij leveren schoon op'.
Ik keek om, waar de antiquair had gestaan, zweefde nu enkel een rookkolom.
Was dit echt? Das Gute ist immer da. De naam was omineus.
Was het een belofte, een voorspeling, een dreigement?
'Meneer', klonk de stem weer opeens,' boeken, je reinste folklore,
leuk voor een zomerse Deventer Boekenmarkt, langs een
zilverblinkende IJssel, hup, een stolpje eroverheen gezet'.

'Denk erover na meneer'. Hij frommelde wat briefjes uit z'n jas.
Ik tel de briefjes, het zijn er zeven. De antiquair heeft plots haast
en zegt:' das Gute ist immer da, meneer, vroeg of laat,
voor iedereen. Tot uw dienst'. Hij laadt de boeken in
en verdwijnt met zijn busje in de rook.

De lege ruimte klinkt hol en grijnst je aan: de bibliotheek
is nu een kale cel. Je bent alleen. Wat heb je gedaan?
Je schrijft verweesd in het stof: wie dit leest is gek.
Je knikt verslagen: je hebt je eigen tombe geschapen.    

Michiel van Hunenstijn

In het kader van de dichtwedstrijd voor het antiquariaat 'Das Gute ist immer Da' te Deventer.

Oorzaak & gevolg

Ik vond laatst een luisterend oor.
Het lag in een weiland,
was waarschijnlijk van een koe afgevallen.
Het oormerk zat er nog in,
maar daar merkte het oor volgens mij niks van.
Het luisterde alleen maar,
het was echt een heel luisterrijk oor!
Dat vond ik wel plezierig,
want daardoor kon ik mijn verhaal kwijt.
Maar toen ik het eenmaal kwijt was,
kon ik het nergens meer terugvinden.
Ik was het voorgoed kwijt
en dat kwam door het oor.
Het luisterde namelijk erg nauw,
Zó nauw dat ik geen verhaal meer kon halen.
Gek hè?

Leen de Oude

Jachthaven

Een briesje dat langs m’n wangen veegt
dikke lokken opverend in de nazomerlucht
het hoofd vol gedachten, moet geleegd
vanuit het middenrif een gestuwde zucht

Bonkende steigerplanken verstoren even
’t ogenblik van warmte op mijn benen
die zo zeldzaam worden beschenen
zo niet de roestbruine koeienpoten,
weggezakt in ’t slik.

Arja Scheffer

Werk in uitvoering….dichten is schrappen..


Ik wil jongleren
Met woorden in de lucht
Ze hoog houden
Uit alle macht
Woorden die in
Scherven vallen
Zorgvuldig lijmen
En hopen
Dat ik jouw boodschap
Zal  verstaan.

Dick Smeijers

Een wijziging op een eerder gepubliceerd gedicht

Modern life

Wonend in ivoren torens
achter dikke vestingmuren
roept een hart verdwaasd het klopt niet
blijven starre ogen turen.

Zoveel werk om  mee te schermen
achter schermen  je verschuilen
zoveel omhaal, zoveel wartaal
veel te vol om nog te huilen.

Zoveel willen, zoveel moeten
zoveel werk wacht, zoveel angst
maar een vreemd gestold verlangen,
wacht in diepten, wacht het langst.

Binnen muren dolen schimmen
in spelonken, vreemd, verward
zoveel vrienden, zoveel volgers
hoeveel volgers kent het hart ?

Weemoed sijpelt door  de kieren
en voegt water bij de wijn
oude muren zuchten zwijgend
hoeveel vergt het mens te zijn ?

Astrid Aalderink

Limmerick (2x)

zou dat kunnen
te leren die kunst
succesvol schrijven
en bij te blijven
lerend die gave kunst


goed schrijven
is meesterwerk der natuur
maar wees  wijs klinkend
te leren op den duur
in schrijven en talent uit te blinken

Henry Jansen

(i.v.m. boek 'Succesvol schrijven' van Barbara Pease uit de bibliotheek)

Kleur bekennen (semi spicht)

Rode, blauwe
geelgeruite
groengestreepte
in ’t verschiet.

Zachtoranje
pimpelpaarse
en ze heten
allen “Piet”.

Negerzoenen
zijn verdwenen
zoenen sieren
slechts ’t schap.

Wat gaat er nog
meer verand’ren ?
‘K hoop dat ik ‘t
nog behap.

Brownies, maar ook
jodenkoeken,
daar komt vast ge-
donder van.

Blanke vla en
bruine suiker,
Witlof ? Ook maar
in de ban !

‘k Pleit voor koffie
met een greenie
en voor paarslof
bij de dis.

Regenboogfo-
rel mag blijven.
Hier rest; “ Boter
bij de vis!”

’t Heerlijk avond-
je gaat komen.
Dat keert toch ge-
lukkig weer.

’t Paard valt te be-
discussiëren.
Maar een bisschop ?
Echt niet meer !

O, wat is het
heerlijk wonen
-al het grauwe
gaat aan kant-

in dit poli-
tiek correcte
multicolor
Nederland.

Astrid Aalderink

Mijn fotoalbum

Fotoalbum
ik bemin je
om de foto’s
die je toont,
want ze laten
overzicht’lijk
zien  waar vroeger
werd gewoond.

Van mijn moeder
en mijn vader
wie zij waren
liefdevol,
hoe wij kind’ren
ondervonden
zo veel blijdschap
door hun “rol”,

in dit leven
goed te denken
en  te  zijn,
ook voor and’ren
onvoorwaard’lijk
ook al waren
we nog klein.

En al blad’rend
door jouw foto’s
krijg ik dan dat
fijn gevoel,
want ze tonen
overduid’lijk
alles aan wat
ik bedoel.

‘k Sluit nu album
en ga verder
met hetgeen wat
jij weer bood,
dankbaar dat ik
herbeleefde
kind te zijn, want
‘k ben nu “groot”.

Diny Kim-Roubos

Het vermoedelijke einde

Sinterklaasje
kom maar binnen,
hou je rug ook
dit jaar recht,
neem toch mee je
zelfgekozen
wit of zwart ge-
verfde knecht.

Makkers van de
lage landen,
staak nou toch je
wild geraas,
vier dit jaar het
hoogstwaarschijnlijk
laatste feest van
Sinterklaas.

Jan van Laar

Drie spichten

Wat ik lust
Rijstepap met
suikerstroop is
wat ik lekker
smaakrijk vind.

’s Ochtends vroeg of
middernacht:
‘hap zo heerlijk,
zeer bemind.’

Dichten
Later  en  groot
dicht ik verzen
mooi en sierlijk
wonderschoon.

Leven lang van
schrijfschrappen
‘k lijk nu nog wel
‘n Allochtoon.

Luieren
Zon, zee, bergen
tompoes en ijs
 speelfilm, boeken
snack,  drank, water.

Heerlijk niks doen
overfijn
‘k ben geen zwijn en
ook geen kater.

Benne Solinger

Levensloopje

Ik vertel u
uit het leven
van een bakvis-
zangeres.
Noord-Celebes,
’42,
lang geleden -
levensles!

Schuchter meiske,
ach, wat wil je,
maar ze stond haar
manneke!
Mag ik u dus
inviteren:
juffrouw Gronloh,
Anneke.

Kwam naar Holland
met de stoomboot
in Noord-Brabant
moest ze zijn.
En daar zag ze,
‘rockabilly’:
onze Peter
Koelewijn.

Samen maakten ze
haar eerste plaatje,
dat het echter
heel niet dee.
Toen kreeg Peter
(hitproducer)
plots een lumi-
neus idee.

En hij riep het
van de daken:
komt dat horen,
komt het zien!
Onze eerste
indopopster
is geboren
(heel misschien).

En zo zong ze
met veel passie:
‘Ma hij wil zo
graag een soen.’
Maar ondanks die
Indo-roomse
tongval zou ook
dit niks doen.

Maar toen zong ze
van Celebes,
ach ’t geluk dat
ben ik kwijt.
Paradiso,
palmenstranden,
Cimeroni’ -
wat ’n tijd…

En ook, jaja,
Surabaya
met je hemel
o zo blauw,
mijn gedachten,
Surabaya,
die zijn altijd
nog bij jou.

Ik zal jou nooit
meer vergeten
want ik droom je
elke nacht.
Gamelan- en
krontjongklanken
klinken zachtjes
door de nacht.

In het dal, daar
staat een heel klein
en verlaten
spierwit huis.
En een meisje,
Cimeroni,
wacht haar ridder,
rein en kuis.

Als zij samen
bruiloft vieren,
Cimeroni
en haar man,
zal de liefde
zegevieren,
wat ze nooit ver-
geten kan.

Zwarte Tino
jij wou Nina
die met Rocco
was verloofd.
Toen werd Rocco
teruggevonden, 
maar jouw onschuld
niet geloofd.

In de haven
van Marseille
danst jouw Nina
nu voor geld.
Slechts de golven
murmureren
wat van Tino
werd verteld.

Brandend zand en
een verloren
land, en leven
vol gevaar.
Juffrouw Gronloh 
glorieerde,
maar nu is het
liedje uit.


Spiecht

Echte spechten
vechten, echter
spichten rechter
met hun tong,

slechten hechte
zwaargewichten,
lichten spichten
uit hun wrong.

Wim van den Hoonaard