donderdag 27 maart 2014

Dichterscafé maart 2014

Dichterscafé maart 2014 - Onderwerp:
Dichtung und Wahrheit

Inleiding door Jos Paardekooper

Dichtung und Wahrheit.
Onder die inmiddels spreekwoordelijke titel publiceerde Goethe zijn vierdelige autobiografie (verschenen tussen 1814 en 1831). De tegenstelling tussen deze twee begrippen raakt aan het wezen van de poëzie. Het werd dus tijd dat we er in ons dichterscafé, na bijna drie jaar, ook maar eens aan gaan ruiken. Daarbij is het verstandig te bedenken dat het begrip ‘Dichtung’ zowel ‘gedicht’ kan betekenen als ‘verdichting’, waarmee de moeilijkheden of mogelijkheden (doorhalen wat niet verlangd wordt) zich al meteen opstapelen.

Dicht in de buurt van Goethe’s typologie ligt de Nederlandse uitspraak ‘dichters liegen de waarheid’. Deze intussen eveneens spreekwoordelijke zin wordt aan tal van dichters toegeschreven, waarbij Martinus Nijhoff en Bertus Aafjes de meeste toedichtingen krijgen. Aafjes zou zich in ieder geval in een interview in 1966 hebben laten ontvallen dat ‘dichters al te veel liegen, maar dan liegen ze de waarheid.’
Mogen wij liegen? ‘Eígenlijk niet’, zei ooit Kees Fens, gevraagd naar de essentie van het katholieke geloof. Eigenlijk mag er niet gelogen worden. Behalve dan door roomsen; en door dichters. Sinds de boekdrukkunst liegen ze zelfs alsof het gedrukt staat. En wie bij herhaling liegt, loopt grote kans op zijn woord geloofd te worden; herhaling is immers de kracht van reclame. Dat wist Multatuli al, die ons in een van zijn onweerstaanbare Geschiedenissen van gezag vertelt van Hassan, wiens dadels naar verluidt ‘driemaal groter zijn dan ze zijn.’ Aldus ‘maakte hij leugen tot waarheid door herhaling.’ Multatuli op z’n best, toen de reclame nog moest worden uitgevonden.

Dichters liegen de waarheid. Die paradox noemt W. Bronzwaer in zijn standaardwerk Lessen in lyriek (Nijmegen, 1993) onverbloemd ‘het derde wezenskenmerk van poëzie’. (De eerste twee moeten hier onbesproken blijven.) Een parafrase van zijn betoog: poëzie is een andere taalcode dan die van onze spreektaal. In die andere code zijn waarheid spreken en liegen geen contradictie. Dat kan, doordat poëzie zelf deel uitmaakt van die andere code. In zekere zin is poëtisch taalgebruik een soort ‘gestoorde’ taal, wat moge blijken bij voordracht: poëzie laat zich in een ander, nl. langzamer, bedachtzamer, tempo vertellen dan spreektaal. Poëzie is vertraagde, gecondenseerde, verdichte werkelijkheid. Als alle kunst vertraagt, verdiept het ons begrip; het bewandelt ‘een omweg naar het doel.’ In poëzie zijn we ook niet primair geïnteresseerd in ‘de waarheid’, maar in de ‘verdichting’ van de werkelijkheid, dat is: zowel de verdieping van als de samenhang in de werkelijkheid, die in het gewone leven letterlijk alledaags is en geen samenhang vertoont.

Ter afronding, eventueel ook ter ontnuchtering. Het nu volgende gedicht is al een keer gemaakt (door Ellory Mace, 2008), dus die moeite kunnen we ons helaas of gelukkig (doorhalen wat niet verlangd wordt) besparen.
 
Aafjes wist het
Andreus
Drummond de Andrade
Neruda

en ik


Dichters

Liegen
de waarheid

en niets

dan de waarheid.


Gedichten van deze bijeenkomst:
Gedichten op het thema  Dichtung und Wahrheit:
Arabesken door Violet Asseruit Mane
Landschap op mijn tafel door Nele Holsheimer (bij afwezigheid voorgedragen door Michiel van Hunenstijn)
Achternaam door Jan van Laar
Alles is illusie door Marianne - Van Halewijn
Dichters liegen de waarheid? door Arja Scheffer
Dichtung und Wahrheit door Cees Leliveld
Wilde waarheid wil ik wel! door Niels Klinkenberg
Fusion door Maarten Douwe Bredero
Dichten door Ingrid Beckering Vinckers
Wahrheit  und Dichtung door Neletta van Heuven
Dichtung und Wahrheit, een beestachtige ballade door Alfred Bronswijk
Dichtung und Wahrheit door Ingrid Willemsen

Na de pauze heeft Jos Paardekooper een eigen vertaling van het lied "het eerste meisje van de zangvereniging" van  Dirk Hermanus Witte (beroemd geworden door de vertolking van Jean-Louis Pisuisse) a capella voor ons gezongen. Bravo! De tekst is (nog) niet beschikbaar.

Gedichten zonder vastgesteld thema:
Wrede loterij door Michiel van Hunenstijn
Wróbel, 1910 door Pieter Bas Kempe
Geleden door Greet Dijkhuis
Voor de spiegel door Herman Posthumus Meyjes
Het beeld door Leen de Oude
Lente in Deventer door Cees Leliveld
Impressie van mijn zondagmiddagen door Klaas Wijnsma

Het gedicht 'Narcis' van Oeke Kruythof is door Wim van den Hoonaard voorgedragen. Het is terug te lezen op www.oekekruythof.nl.

Arabesken

Waarheid is in Hem
Hij weet het
het past Hem,

ik weet het niet
‘t lukt mij amper
alteratie is ontberen

wet van Waarheid
redder in mij
beroer mijn innerlijk

de bastaard is ontluikt,
geweeklaag gaat voort
tis Waarheid die opborrelt

hersenspinsels verdichten
zich, zit daar Waarheid of
arabesken die wringen

liegen zij voortdurend
of verlichten mijn kronkels
zich, zoekend naar composities

cellen in mijn lichaam
eindelijk veranderen zij
opdat zij mogen vergeten

wat door angst vertroebelde
en richtte op Waarheid, daar
groeit nu ultieme klaarheid

geen bedrog maar vrijheid van
strijd, zoek ik verlossing, naar
Vrede en Licht van Waarheid

© Violet Asseruit Mane

Landschap op mijn tafel

Op mijn tafel ligt een bril,
en een vergrootglas,
daarnaast staat een kopje koffie,
een flesje met oogdruppels en
er ligt een opengeslagen boek
over Chinese landschapspoëzie,
waarin ik lees,
dat voor de klassieke Chinezen
“poëzie verwoordt
wat de geest of het gemoed bezighoudt“, *
 „de buitenkant van een binnenkant“ is.  *
Straks is het kopje leeggedronken,
het flesje met druppels op de grond gerold
en het boek met het rode zijden leeslint
dichtgeslagen.
Het landschap heeft zich veranderd
en de waarheid is zoek.

Nele Holsheimer

* S.Marijnissen. Berg en water. trecht, 2012. Blz.18

Achternaam

Een uitgestorven dichter –
ooit was hij beroemd,
hij werd door tijdgenoten
een Vondeltje genoemd.

Hij schreef zijn eigen Gijsbrecht
vol triviale zaken,
maar wist van elke ondeugd
een sterk verhaal te maken,

vooral van dronkenschap,
die hield hem in de ban,
de achternaam van Gijsbrecht
getuigde daar ook van:

Van Amstel was die naam.
briljant idee, een vondst:
de dichter had van Grolsch
en Dommelsch zijn bekomst,

maar Amstel was een watertje
van geurig gerstenat
waar Gijsbrecht in verdrinken moest:
een mooie dood was dat!

Jan van Laar

Alles is illusie

Het werd me met de jaren duidelijk
wie Waarheid wil, zoekt tevergeefs

Illusie heerst en is ons aller lot
geheugens zijn alleen vervalsers
van geschiedenis en wie bepaalt
wat toen de echte feiten waren?

Ondanks de kracht van tastbare schijn
en misleiding van leerzame boeken
ga ik te rade bij mijzelf, keer in en
weet dat een en een ook drie kan zijn

Met eigen waarheid kan ik leven
slechts Fantasie is mijn werkelijkheid.

© Marianne Sorgedrager - Van Halewijn

Dichters liegen de waarheid?

Dichter in gedicht
waarin zinnen afgewogen,
een frase uitgelicht
is het echt of slechts gelogen?

Of wordt de lezer opgelicht
door pennenvrucht bedrogen,
de waarheid die in ’t midden ligt
welk poëet kan daar op bogen?

Met prikkelende fantasie
woorden op de juiste plek neerleggen
dat is nog eens poëzie
wie durft daar wat van te zeggen?

Arja Scheffer

Dichtung & Wahrheit

Arbeit Macht Frei:
Dat leek een harde waarheid
als je Auschwitz binnenging.
Maar, eenmaal door de poort gestrompeld,
bleek het voor zo talloos velen
slechts een wrede grap,
een meedogenloos verdichtsel.
Linksaf, dan vindt u onze douches!
Die Wahrheit mocht je wel
een verstikkend staaltje Dichtung  noemen
als je stuiptrekkend crepeerde in het gas.
Duitsland is een land van dichters,
althans, zo luidde altijd het gezegde.
Zou het daardoor komen dat hun Wahrheit
zich zo moeiteloos vervlechten kon
met Dichtung?
Laatst nog las ik het bericht
dat drie hoogbejaarde kerels
in Duitsland waren opgepakt:
festgenommen zum Verhör.
Kampbewakers waren het uit Auschwitz
met de lijkenlucht nog in hun kleren.
Je zult de Wahrheit uit hen moeten slaan
want zij zullen vluchten in hun Dichtung:
Ik ben te oud, te ziek, het is zo lang geleden,
ik wist niet beter, deed alleen mijn plicht.
Persoonlijk had ik niets tegen de Joden,
maar ja, in de verkeerde hoek van de geschiedenis!
Zo is de waarheid eeuwenlang gemaltraiteerd
en ons als verdichtsel opgediend.
Hoewel,  er is nog hoop
als je de Duitse radio beluistert:
Meine Damen und Herren,
die genaue Zeit:
Es ist jetzt zehn Uhr.
Dat is de waarheid
en niets dan de waarheid
daar is geen woord Dichtung bij.

Cees Leliveld

Wilde waarheid wil ik wel! (Guido Gezelle)

Wetenschap op zoek naar waarheid
Start met echte fantasie,
En ontkent de oude slaafsheid
Van de volgers van de braafheid.
Wetenschap is poëzie.

Weet dat wetenschap in wezen
Start met weinig, soms met niks,
Dan komt men met een hypothese
Zoals destijds, onvolprezen,
Opkwam in het hoofd van Higgs.

Een deeltje, dat naar Higgs zou heten,
Geeft de massa aan de kern
Van alles wat we kunnen meten;
Om dat ook te kunnen weten,
Bouwde men versneller CERN.

Werkers uit haast alle landen
Werkten jaren, al maar feller
Zij zochten samen naar verbanden
En’t bewijs kwam uit hun handen,
Uit die Zwitserse versneller.

En zo vond men dan een stukje
Van de puzzel van het zijn;
Op weg naar kennis een klein rukje,
Maar de echte vrucht, die plukje
Op ‘t grenzen-loze werkterrein.

Zoek naar waarheid, wetenschapper,
Zoek de grond van het bestel,
Werk met passie, wordt steeds knapper,
Niet steriel, maar altijd dapper,
Dicht Gezelle na, en stel:
Wilde waarheid wil ik wel!

Niels Klinkenberg

Fusion

Sterren welke klonteren
tot een dichtend zwart gat
Het lijken wel mensen
trekkend van land naar stad

Zo weten wij immers meer
in het gaan van de tijd
En zal zich openbaren
een afstand die gedijt

Anoniem doet ons liegen
in een smeltkroes van kleur
zo verstikkend in teneur

Toch liever deze druk
van het intieme racen
dan het ware te vrezen

Maarten Douwe Bredero

Dichten

Als ik je schrijf maakt het niet uit
of ik je met leugens dan wel waarheid voed
zo betreed ik je nog blanke speelveld
om er nadrukkelijk mijn zinnen op te zetten

Nu ik je dan eindelijk schrijf
is mijn woord zich bindend aan jouw wit
en van het diepste zwart
je dringt zich aan mij op krioelt je een weg

Wanneer ik je dan echt geschreven heb
je zo dicht op je huid gezeten met mijn vlerk
zijn die witregels gedicht
ik kan opnieuw beginnen

Ingrid Beckering Vinckers

Wahrheit und Dichtung

zerenade op de ouderdom

Waarom, mijn God, waarom
Schiep U … de ouderdom
Mij maakt die rotte kruisgang
Naar een roemloos einde … bang
U schiep ons naar Uw Evenbeeld
Bent U dan nu verrimpeld en vereelt
Of troont U hoog en trots als Jonge God
Waarom óns vervloeken tot dit wrede lot

U vraagt van ons een deugdzaam leven
Jeugdzonden wilt U nog wel vergeven
Maar of we vroom voor Uw geboden beven
Of met voeten treden, is U blijkbaar om het even
Want allen vallen wij ten langen leste
Aan verval ten prooi, ja, ook de besten
Dat U die treurnis niet wist te verhoeden
Wordt mij elke dag weer meer te moede

‘s Ochtends uit de veren en dan constateren
Tegen rimpelvorming valt niet op te smeren
De aftakeling is met geen botox nog te keren
Of moet ik mij toch maar met fillers injecteren
Wallen onder ogen zwellen op als kikkerkelen
Bovenarmen gaan lamlendig lellen en bij velen
Wordt onderkin kin van kalkoen of kip
Weg je ooit zo volle, wulpse bovenlip

Fraaie Prodent tanden worden thans aftands
Je gulle lach verliest vergeeld zijn glans
Versleten pleeborstel is je uitgedunde haar
Tja, kapster, wekelijks, heeft geen bezwaar
Overal verschijnen vreemde vlekken
Haren groeien op gênante plekken
Decolleté vervangen door een col
Je achterwerk staat niet meer bol

Ingedroogde appels zijn je billen
Benen almaar moeizamer te tillen
Voorbij tuinieren op je hurken
’s Nachts blijk je ineens te snurken
Je kunt je eigen veters niet meer strikken
Beugels om je na het plassen op te krikken
Je boezem prijkte ooit in fiere stand
Magneet voor menig mannenhand
Thans ter hoogte van je buik beland
Nou ja, eigenlijk … op zwemband gestrand

Zijn het de stratenmakers die daar naar jou fluiten
Neen, dat concert komt ergens bij jou zelf naar buiten
Hoor ik nu, Heer Schoonenberg, daarbuiten vogels fluiten
Neen, mevrouw, die geluiden komen van uw oren die zo tuiten

Ach, De Liefde …
Venusheuvel aangetast door zure regen
Dijen nooit meer door een ros bestegen
Want: zelfs een ratelslang voelt zich niet fijn
In een …  van oase verstoken woestijn
En dan bezorgt je eigen arts jou boze dromen:
“Uw lusthof dichtgegroeid, mevrouw, vleesbomen
En uw kringspier mag zich thans vermeien
In een vergadering van verse aambeien.”

Oh God, waarom niet ook ons in de bloei van ons leven
Zonder veel vertoon, net als Uw Zoon, omhoog geheven
Liever op tijd vertrekken, desnoods na kort en hevig lijden
Dan verrekken en ons lijden over jaren uit te spreiden
Neen, van alle waardigheid ontheven

Zijn wij gedoemd onteerd te sneven
Geen erbarmen om ons aan te warmen
Die Wahrheit leent zich niet voor Dichtung
Die Wahrheit lässt uns nur … Vernichtung

Waarom, mijn God waarom
schiep U de ouderdom
mij maakt
zo naakt
de kruisgang
naar een
eerloos
eenzaam
einde
bang

Neletta van Heuven

Dichtung und Wahrheit, een beestachtige ballade

Hein werd als zuig'ling geboren,
als vrucht van de huw'lijkse plicht.
Kreeg doopsel en borst naar behoren.
Werd verder modaal afgericht.

Gekooid door de box en de luier
hield ma hem heel strak in haar ban.
En vader kastijdde hem tijdig
want daar groeien kindertjes van.

Refrein:
Want een mens is gras dat opschiet

en in de morgen bloeit,
maar in de avondstond des levens
blijkt heel de boel vaak onvolgroeid.

Hij huwde die meid van de buren
wat laat, ach dat was ook fatsoen.
Maar Mina had thuis ook de broek aan
en zette hem zo op rantsoen.

Des zondags ging hij steeds ter kerke
op werkdagen naar een kantoor.
Zo slofte hij stoffig door 't leven:
een bestaan dat nimmer ontvroor.

Refrein: Want een mens is gras dat opschiet….

Met vijftig werd Hij plotsklaps wakker:
is dit wat mijn hartje begeert?
Diep in mij wil ik toch een beest zijn,
fel hitzig, zoals nooit werd geleerd.

Hij droomde van drank, drugs en meiden,
van zonde, zo zondig als wat.
Van 't bitter en 't zoete verleiden,
de duistere kant van de stad.

Refrein: Want een mens is gras dat opschiet…

Maar steeds als 't beest hard ging brullen,
had kerk of kantoor weer een taak.
Of Mina, zij leed aan haar griepjes;
dat was wel verdommese vaak.

Of hij moest voor kindertjes zorgen,
voor luiers, of snot in 't gezicht.
Het beest in zijn hart werd geborgen
onder druk van de eeuwige plicht.

Z'n  hart kon die druk niet lang dragen
dus spoedig gaf hij ook de geest.
Zijn laatste woord: 'k had er nooit tijd voor,
maar, in waarheid ben ik toch een beest….

Refrein: Want een mens is gras dat opschiet…

Alfred  Bronswijk

Gedicht als lied gezongen, waarbij Alfred zich begeleidde op zijn gitaar. Het refrein kon worden meegezongen

Dichtung und Wahrheit


in de echo van de tijd
zit ik een boterham te eten
vanuit hier op dit moment
lijk ik het wel te weten
maar wat is mijn nieuwe stap
terug gaan naar de strijd?
ik laat mezelf los
vergeten
hoe het was toen ik een boterham zat te eten
de worsteling van elke dag
leek even zo onnodig
alle ellende en onveiligheid
overbodig


in vreemde velden
achter dichte daken
onder donkere vlakken
schijnt een ander licht
door de dikke vaste rand
in donkere diep aarde
is ver weg een ander gezicht
de contouren zijn vaag
nog niet uitgelijnd
maar ik weet zeker
het is zeer verfijnd
wanneer ik ga zoomen
mijn aandacht verdicht
en binnentreedt in dat nieuwe licht
dan zal de wind gaan waaien
over mijn gezicht
en krijg ik uiteindelijk
zicht op dat licht

Ingrid Willemsen

Wrede loterij

Ze kon geen kinderen krijgen.
En god weet hoe graag ze ze wilde.
God weet ook dat we ons best deden.
Maar ze kon ze niet houden.
Ze verloor ze, keer op keer,
miskraam na miskraam,
kind na kind.
En moeder werd ze niet.

Steeds ging er van binnen iets mis.
Al die nachtelijke liefde, de celdeling,
het zich hechten, voor niks.
Ze kon geen kinderen krijgen,
enkel levenlozen,
dat is wat er stond, boven de
doktersparagraaf. Er was geen
kunde om haar te verlossen.
Het leven was voor haar
een wrede loterij.

Plots was er een wending, niet meer verwacht.
Opeens ging er iets goed, er groeide iets.
En het bleef groeien, het bleef zitten.
Twee hartjes die kloppen, en bleven kloppen
en of er een opperwezen bestond,
een god die alles goed maakte.
Hij nam, maar gaf ook, dubbel of niks.
Er groeide een warm moederhart.

Het leven bleef een wrede loterij,
het kraambed werd een bloedbad,
ze overleed dezelfde nacht.
Daar stond haar kist. Daar lag ze in,
met een kindje op elke arm.
O, wat liep de doodgraver
hier een inkomsten mis.

Michiel van Hunenstijn

Wróbel, 1910

Aartsengel, tuinvogel: wederom
hangt jouw schildersnest aan het balkon,
vol met verschoten kruit. Dode mus,
vreemd beest dat eten Siberisch laat,
boven sterk water om het gesticht
slaat jouw boek dicht aan het open raam.

Pieter Bas Kempe

(Micha Wróbel, 1856-1910, symbolistisch
Pools-Russisch kunstenaar die in waanzin stierf.
Zijn achternaam is het Poolse woord voor “mus”)

Geleden

zwart de hond voor mij uit,
wit de sneeuw met sporen
van stappen die klinken in
dood bos met rillende bomen,

mijn hoofd gespleten,
geheugen een leugen verdwenen
in diepte van tijd,
gapend zwart, niet te verbinden

gelijk de oevers van de grijze rivier
in ver verleden beleefd,
eindeloos stappen in stilte
alleen in de tijd

de hond is waar en wacht

Greet Dijkhuis

Voor de spiegel

Is dit het hoofd dat ik telkendaags den volke toon
en dit het oog dat het vuig bedrijf aanschouwt?
Is dit de ribbenkooi, uit benen tralies opgebouwd,
en smeken deze lippen om hun karig loon?

Is dit de hand die in de klamme dekens klauwt
en dit 't onzalig schouderpaar dat pronkt ten hoon?
Is dit het schedeldak, geërfd van vader op zoon,
brandt deze keel met dorst die smaakt naar zout?

Klopt hier het hart dat om zijn wild begeren rouwt?
Spreekt deze stomme tong als zwijgen beter was?
Hangt hier 't geslacht te hangen als een oude jas
en wordt in deze holte het dagelijks brood verstouwd?

Ik weeg, beklop, betast, beknijp tot het mij duizelt.
Ik ben een pand met achterstallig onderhoud,
een wrakke basis, scheve gevel, wormig hout --
ik wacht tot 't spiegelbeeld verwasemt en vergruizelt.

Herman Posthumus Meyjes

Het beeld

Waar is het beeld
dat ik ooit heb gehakt
uit het hardhout
van mijn beginselen,
met de jaarringen
van een gebeitelde toekomst?

Verdwenen zijn de harde trekken
de ringen weggevaagd.
Ik buig het hoofd
voor wat nog slechts
een vormloos blok is.

Ik heb het
als een bodemvondst
in de vitrine
van mijn vage herinnering
bijgezet.

U mag het hebben,
ook als u er niets voor geeft.

Leen de Oude

Lente in Deventer

Als het lente wordt in Deventer,
moeten we vooral niet
sentimenteel gaan doen
over jonge eendjes en
tere, groene scheuten.
Kom op zeg!
Het is wel 2014 hoor.
Maar dat het lente wordt
is onmiskenbaar.
Het goeie ouwe Deventer
rekt zich eens uit en komt
licht krakend overeind,
warmt zijn stramme leden
in de lentezon.
Mevrouw de Jager
staat heupwiegend voor de spiegel
en denkt: die rok is wel te kort
maar ik doe hem aan!
Ik heb vandaag echt zin
in ruimtelijke ordening!
De IJssel stroomt
met nieuw elan
haar spiegelende toekomst tegemoet.
En bij het aloude NS station
wordt hard gewerkt
aan een nieuw perron.
Jammer dat het water weg is
maar er komt iets moois voor terug.
Althans, dat beloven ons de borden
met drommen blije mensen,
opgewekt op reis van en naar
de Hanzestad
die zich weer opmaakt
voor een lange, hete zomer
met uitpuilende terrassen
op de Brink.
Maar eerst vieren we de lente!
Schattig hè, die jonge eendjes
en die tere jonge scheuten,
je kunt nu echt zien
dat het in Deventer
lente is geworden.

Cees Leliveld

Impressie van mijn zondagmiddagen

Vertaling van het gedicht: Estampa Relativa a mis Tardes de Domingo van Santiago Montobbio

Ik weet best dat je heel veel van me houdt,
dat jij praat en liefhebt en praat
en dat ik, omdat ik daar weleens moe van word,
me soms verstrooid verstrik in woorden,
dat terwijl jij van me houdt en tegen me praat, ík slinks de kans benut
mijn hart door andere steden te laten dwalen
en hoewel ik in alle bescheidenheid geloof dat ik
bij sommige gelegenheden heb laten zien
over acteertalent te beschikken
ben ik bang dat dit soort innerlijke uitstapjes
jou gewoonlijk niet ontgaan.
Dus toen jij me gisteren opeens vroeg Wat moeten we?
moest ik afdalen van mijn wolk en ik antwoordde
doodserieus: ‘Oppassen voor de hond’.
Daarna kreeg ik wel in de gaten dat jij bezorgd was,
dat je het misschien over de liefde had of over ons
en uiteraard ook dat ik ditmaal
op heterdaad was betrapt. Maar wat
wil je dat ik zeg: in het begin
gaat alles makkelijk, en aangezien
ik best weet dat jij heel veel van mij houdt,
en tot overmaat ik ook van jou,
is dat misschien wel het enige
wat we moeten doen – denk je ook niet? –:
heel goed oppassen voor de hond.

© Klaas Wijnsma