donderdag 27 februari 2014

Dichterscafé februari 2014

Dichterscafé februari 2014 - Onderwerp:
Twee duiven, voor de pauze. Vrije (themaloze) gedichten na de pauze.

http://www.youtube.com/watch?v=h2McdJVh45w
Toelichting door Jos Paardekooper












   


                                                     















Inleiding door Jos Paardekooper
De duiven van de paus, en die van Rutger Kopland
De beelden zijn de hele wereld over gegaan: de paus laat twee vredesduiven los, die meteen worden aangevallen door een meeuw en een kraai. Dat kon ook niet goed gaan: ‘kraaien en duiven vliegen nooit samen’, meldt Van Dale onder het lemma ‘duif’.  Niks geen vrede op aarde voor dieren van goede wil, met misschien als enige uitzondering het Vogeleiland te D. (Maar dat is dan ook, net als Utopia, een eiland.). 
Vrede is de toevallige afwezigheid van oorlog, definieerde W.F. Hermans. Dat klinkt niet erg bemoedigend, maar het is wáár: geen dag zonder nacht; geen vrede zonder oorlog; geen vredesduiven in onze nationale blazoenen, maar wel veel haviken, adelaars en ander oorlogszuchtig gevogelte. 
Waar duiven voorkomen in de poëzie, is oorlog vaak ook niet ver weg. Zie maar: twee duiven zitten op de draden van de bovenleiding van de trein naar Siberië, zich niet bewust van alle kwaad en ellende die zich onder en zelfs in hen afspeelt:

‘ […] hun lijfjes geladen met 
duizenden volts, maar rustig, rustig, 
zij weten dat niet.’

Aldus Rutger Kopland, in ‘Twee duiven in Siberië’ (in de bundel Wie wat vindt heeft slecht gezocht, 1972). Kortom: je hebt duiven op de Dam en op stroomdraden in Siberië. Duif rijmt op Cruijff, duifje op Kuifje, en tortelduiven op mortelkluiven en mierikswortelsnuiven. Aan de taal en de symboliek zal het niet liggen: er moeten heel veel gedichten over (vredes)duiven en (roof)vogels te maken zijn.

De duif en de Paus

Laat die duif niet vrij, mijnheer,
Wanneer u op wilt treden
In naam van Godes Vrede.
Nee, laat hem in zijn kooi, mijnheer!

Zo luidt oprecht  mijn bede,
Want laat u hem wel vrij, mijnheer,
Dan keert hij tot uw kerk niet weer.
Wat heeft hij dáár geleden:

In naam van God en Vrede
Vond hij geen vrijheid, in uw leer,
Gekooid in kerkse zeden.
Laat hem niet vrij, de duif, mijnheer,

Want eenmaal los keert hij niet weer:
Hij zoekt zijn eigen heden
Los van die kerkse Vrede.
Zijn strijd met kraai of meeuw doet zeer,

Maar erger werd geleden
Vóór u hem vliegen liet mijnheer:
Uw kooi bood nimmer vrede!

Niels Klinkenberg

Haiku (3x)

heen en weer vliegen
boven land badend in bloed
geen plaats voor duiven

leeg land vol geweld
koudbloedig opgejaagd volk
geen plaats voor duiven

heen en weer vliegen
in duistere lucht vol stank
waar is een vrijplaats

© Marianne Sorgedrager -Van Halewijn

Paradise regained…

We zijn weer in de Hof van Eden en staan bij de
veelbesproken boom. We speuren langs de stam
omhoog, maar zien dit keer geen slang. Ook missen
wij het geluid van gesiste listen. Maar de prachtige
appels hangen er nog.

Een slanke ceder zwaait naar de zon, die de tuin met
licht verzadigt en de vredesduif met warmte koestert.
Het is hier paradijselijk.

Toch is ons geluk niet volmaakt. Stel dat afgunstige
types de weg naar de tuin vinden en ook zij het
terrein op slinkse wijze binnendringen; stel dat zij de
appels van ons wegkapen en wij opnieuw worden
verjaagd…

Laten we voor de zekerheid de vijgenblaadjes maar
weer voorbinden.

Jan van Laar

Einde

Gebonden aan het nulpunt van de rekenkunde
staartdelen wij onszelf  tot sommen zonder rest.
Wat naam heeft ondergaat eens een totaal molest
op het moment, dat nooit nog een herkansing gunde.

Want met het zwaarste zijn wij mensen opgeladen:
te weten, dat er eens voor elk een uur zal zijn
van bitterheid,  doorweven met de doffe pijn
om eigen vluchtigheid en onvoltooide daden.

Hoezeer wij ook verzoeken om de vrede zenden
wij voeren tevergeefs een hopeloze strijd.
Graven verdwijnen niet door ze opnieuw te kalken.

In gang gezet laat ons leven zich niet wenden.
Het laatste einde wint tenslotte toch het pleit
in dit zo wreed gevecht van duiven tegen valken.

Alfred Bronswijk

2 duiven + 2 kraaien = oorlog + vrede

Een kind kan kraaien
maar kan niet duiven

en zo kwam het
dat ik op een
onbegrijpelijke dag
vroeg
aan een dreumes
die met zijn neus
tegen een raam geplakt
stond te gebaren
richting boom

wat er aan de hand was

“Ik zwaai naar een duif
en wuif naar een kraai!”

waarop de duif en de kraai
een diepe buiging maakten,
zich verkleedden,
en even later
terug kwamen vliegen als
zwarte duif en
witte kraai.

Het kind en ik,
we keken elkaar aan –
we herkenden elkaar
niet meer.

Wim van den Hoonaard

"Vrede"

Twee duiven verlaten
fladdervliegend het
plaatsvervangende
knuistje
Achter de verre horizon
lacht vol verwachting
Satan onmatig in zijn
vuistje

Twee duiven

Altijd, als ik duiven hoor of zie,
gaan mijn gedachten terug
naar de dagen van Gert Timmerman,
innig verstrengeld met zijn Hermien.
Alle duiven op de Dam
maakten zij onsterfelijk
met hun teedre samenzang.
Dat waren nog de dagen
van shalalie, shalala.
Kom daar nu nog maar eens om!
Als een zingend paartje tortelduiven
trokken zij door stad en land.
Gert, donker koerend,
de trotse krop vooruit gestoken,
Hermien, zacht kirrend,
het kopje liefdevol gewend naar Hem.
Heel Nederland lag smachtend
aan hun borst,
hun duivenborst
met goud en platina bekleed.
Neerland’s oudjes, in hun schommelstoel
konden weer trots zijn op hun grijze haren.
En ook de Heere
werd door hen veelvuldig aangeroepen
tot troost en steun van hun gehoor.
Helaas heeft ’s levens lot
dit ranke duivenpaar ontkoppeld.
Hermien rust eenzaam en verlaten
onder een simpele, grauwe steen.
Gert probeerde nog wel op te vliegen
maar zang en dans waren voor hem
niet langer weggelegd.
Dus, als u duiven hoort of ziet,
denk dan nog even
aan dit dart’le tweetal terug:
als in hun beste dagen.

Cees Leliveld

Zonder titel

Zon laag aan de hemel
Water klotst tegen de kust
Een meeuw vliegt zijn schaduw achterna
Zie hoe mooi het strand de golven kust
Mijn wereld heeft een rand van louter steen.

Dick Smeijers

De dood van de duif

De man in het wit aan het raam
op het plein, hij loste een duif,
een fladderend gebaar met
applaudiserend geluid.
Een oproep voor vrede,
een versleten symbool
als men het mij had gevraagd.
Maar het was zijn beroep,
het was zijn ritueel,
hij wist wat hij deed,
en dat deed hij al lang
op die plek, op die tijd.
Het drama dat kwam
was dus gescript, en
in feite in scene gezet.

De duif is een rat, maar
dan in de lucht. De duif,
een doffer, een prooi,
een offer voor de kraai
ze vliegen nooit samen.
De duif in de lucht,
voor de kraai op de vlucht.
De duif wordt symbool
en symbool wordt prooi.
De klauwen kerven
ze breken de ogen
ze nemen de geest.
Het is tijd voor een amen.

Het is hartverscheurend
het is adembenemend
het is duifverscheurend.
Het sneeuwt veertjes
en dons op het plein.
Het plein is ontzet
de oooo's en de aaaa's
klinken schril en de ogen
worden wijd open gesperd.
De aanval is gefilmd
en ook online gezet.
En we hebben nu beeld
van de dood van de duif.

De humor van God
de duif en zijn lot
de dood in de lucht
de lucht van de dood
dit is het einde
dit is het einde
het einde
het einde

Michiel van Hunenstijn

Zwevende duifjes

Snaveltjes naar elkaar gericht
overdenkend het leven
door thermiek gedreven
in hemelsblauw, zo licht.

Een enkel wolkje aan de lucht
wie zal daar om geven
geen mooier leven
door stijgwind een laatste zucht.

En voor heel even
een vrij gevoel zowaar
los van de aarde te zweven

de liefde voor elkaar
en het leven
weggevlogen rond nieuwjaar.

Arja Scheffer

Vrede, Vrede, Vrede

Besef en bijval voor de Duif
Geütiliseerd voor onze harmonie
Met z’n zoet strelende eufonie
En frêle toewuif

Jij, lieve Duif komt vaak voor
Soms liggend op een teljoor
Uitgedroogd, opgebrand en zoor
Lig je op een zijspoor

Alzo wil ik de Duif eerbewijzen
Het zinnebeeld der levensgeest
Mijn adem en ziel, nog niet verweest
Liefde en onschuld, boodschappers zijn het
De Duif heeft ook het twijgje doen verrijzen

Duif ik heb je geschouwd
Dichtbij huis daalde je neer
Statig, lopend, rankgebouwd
‘t Lila omringde je telkens weer

Duiven herinneren ons aan Moeder aarde
Somtijds kunnen zij niet wederdalen
Hun lofzang maakt de sluier doorzichtig
Het wijst ons op de levenskringloop
Kruispunten en bijwijlen een gloortje hoop

What about me

pulserend over de gladde vloer
half zwevend toon ik zó mijn trots
dartelend raken zij mij aan
bijtend terug verstikt deze waan

nooit kan ik geven wat immers moet
bang voor stiltes, eeuwige rust
aandacht voor één zou mij helen
laat hen sussen en koerend strelen

tepels vooruit heers ik in pijn
mietjes hijgend zonder pardon
komisch hoe lust leidend kan zijn

dus dansen wij door duistere steeg
ieder van ons verstrikt in dit web
hemel en hel geven elk hun veeg

Maarten Douwe Bredero

(vrij naar Him van Rupert Holmes, met twee duiven en een havik)

Mijn dorp in Duitsland

De eerste kennismaking was in juli
negentienhonderdvierenzeventig.
Ik kende er niemand.
De hitte stond stil in kaarsrechte straten.
Huizen met puntdaken, gepleisterde gevels,
dichte vensters, rolluiken neergelaten.
Nergens bomen, nergens schaduw.
Aan de rand van het dorp een begraafplaats.
Ik zag een bomenlaan, eindelijk schaduw
en duwde de kinderwagen door het hek.
De graven waren kleine bloementuintjes..
Op een bank onder de bomen, naast
een stellage met kleurige gieters, zaten
oudere vrouwen, die me verbaasd bekeken.
Tussen twee ligusterheggen waren
kleine vierkante grafstenen in rijen,
allen met dezelfde datum en hetzelfde jaar.
Daar stond ik bijna dertig jaar na dato en zag
twee zwarte gaten in een gebarsten schedel.
Ik schoof de witte kinderwagen met
het kind in het felle witte zonlicht.
In een winkel voor pennen en papier
kocht ik een kleine geschiedenis van mijn dorp,
maar ik vond er niet in wat ik zocht.
Geen woord over de tijd der verschrikkingen.
De ouden zwegen of spraken wartaal, de kinderen vroegen niet,
maar de kinderen van de kinderen gingen zelf op onderzoek uit.
Ik vond hun vragen in mijn brievenbus.
Zij zochten foto’s en herinneringen en schreven hun boek.
Er was een synagoge geweest, maar werd omgebouwd tot woonhuis
Het dorp had een rangeerterrein voor goederentreinen.
Doelwit voor de wraakvogels met hun vernietigende vracht..
De kinderen hadden gespeeld, toen de sirenes weer eens huilden.
De ouden zwegen of spraken wartaal, de kinderen vroegen niet,
maar de kinderen van de kinderen lieten jaren later
namen en vermaningen in steen houwen en plantten  bomen.
Elk voorjaar vliegen de kraanvogels over. Zij zijn niet van hier.
In de elzen aan de oever van de rivier bouwt de wouw zijn nest
en is waakzaam.

Nele Holsheimer

A bird of all seasons

1  Le petit Vaillant

Van de vier postduiven
die Silvain Raynal tot zijn beschikking had
in het Fort de Vaux, nabij Verdun,
had alleen ‘le petit Vaillant’,
met z’n slimme kraaloogjes en zijn
hagelwitte slagpennen,
het urenlange mortiervuur op die
stralende junimorgen overleefd;
was ongeschonden tussen de fluitende kogels
en granaatscherven door gefladderd, en had
de noodkreet van het laatste restje verdedigers
(‘Zijn aan het eind van ons kunnen, vive la France!’)
in de Citadelle bezorgd – waarna hij
alsnog aan zijn marathonvlucht was bezweken,
en als een voortijdig herfstblad neergedwarreld.

Nu staart hij mij aan, in het Musée Colombophile,
met z’n dofgeworden kraaloogjes en zijn
opgepoetste slagpennen,
het enige restant van het Fort de Vaux,
nabij Verdun, de enige postduif
in het land van Marianne
met het Légion d’Honneur.


2  Little Willie

Tussen Bazentin en Pozières, niet ver
van het Somme-front, verscheen
op een regenachtige septembermorgen
van het oorlogsjaar 1916 ‘little Willie’,
een plaatstalen monster van 14.000 kilo,
waarin drie doodsbange jongens van amper twintig,
en twee doorgewinterde postduiven, die,
hoe anders dan de tankbemanning,
door een minuscuul luikje vrijelijk
in en uit konden vliegen.
Geen wonder
dat in de loopgraven al snel de mare
de ronde deed dat dit loodzware
benzineblik door de Heilige Geest
zelve werd bestuurd.

Jos Paardekooper

Bronnen:
Chrisje & Kees Brants, Velden van weleer, Amsterdam, 2005, pp. 179 e.v. en pp. 259 e.v.
Rudy Kousbroek, De archeologie van de auto, Amsterdam/Antwerpen, 2006, pp. 108 e.v.

Bij het overlijden van Shirley Temple

Zij was niets dan een verschijning,
maar die was oogverblindend:
een kolibrie in de winter
een krul in de tegelvloer
een danspas in de vliegtuigcabine
een wervelwind in de stilte
een lach in de duisternis
een feestelijke hobbel in mijn bestaan.

Had ik haar dat duidelijk kunnen maken?
Ik denk het niet, zelfs niet in dat
verdwenen land, mijn enige kans.
Dus zei ik het maar in de Cineac
in de Reguliersbreestraat.
Maar ook daar is het licht gedoofd,
de verschijning gewist,
mijn jeugd gestorven.

Herman Posthumus Meyjes

De schoolmeester (die het niet werd)

Aan het einde van de jaren vijftig
betrad ik voor het eerst
het Gymnasium Haganum in Den Haag,
om daar, in de avondlijke uren,
tot leraar Frans te worden opgeleid.
De marmeren bustes in de hal
brachten mij tot het besef
dat ik slechts aan het begin stond
van een lange, lange weg.
Het leraarschap was in die tijd
nog een positie met aanzien en respect
en ook vrij ruim betaald.
Zo droomde ik van een aangenaam bestaan
met kennisoverdracht en educatie
aan welopgevoede, leergierige  jonge lieden.
Mijn dagen en mijn boekenkast
zouden gevuld zijn met welluidend proza
en gevoelige gedichten
in de Franse taal die ik,
voetje voor voetje,
tot de mijne moest gaan maken.
Vele uren heb ik geworsteld
met grammatica en idioom
totdat ik na een drietal jaren
moest besluiten deze lier
in de daarvoor bestemde wilgen
een zonnig plaatsje te geven.
Schoolmeester ben ik dus
niet geworden.
En ook geen francofiel,
maar dat was ik toch al niet.
Toch heb ik later van mijn kennis
van het Frans
nog wel plezier gehad
en ook vrij ruim betaald.
Over rozen is mijn pad
zeker niet gegaan
maar de doornen van het onderwijs
zijn mij wel bespaard gebleven.

Cees Leliveld

Voor een theologie van de slapeloosheid

Vertaling van het gedicht: Para una Teologígia del Insomnio van Santiago Montobbio

Overdag droom ik God zeer grondig
om ’s nachts te kunnen geloven dat hij mij vergeeft.

Uit schuldgevoel dat ik niet gelukkig ben, en nooit ben geweest,
rafel ik mijn holle ogen uit en weet maar al te goed
dat niet kunnen slapen een glimp van de hel is.

© Klaas Wijnsma

Schot

Vertaling van het gedicht: Tiro van Santiago Montobbio

Na altijd in voorwaardelijke wijs of beletseltekens te hebben geleefd
is onze onbegrijpelijke liefde een schuld die bang is
en rilt van de kou: ongetwijfeld is dit de stommiteit
waarvoor ik me maar het best
voor het hoofd zou kunnen schieten.

© Klaas Wijnsma

Oude schoonheid

ook oude
bijna ten einde bloemen
wekken verwondering

onder de eetkamerlamp
de schaduw
van het kanten patroon
van zacht rondende
stelen
ver uitgegroeid blad
en ver dáár boven reikend
roze bloemen in frêle vorm

anemonen

ze weten
dat ze al lang in de biobak
hadden moeten liggen

de ontroering om hun
opgeheven schoonheid
maakt dat ze blijven mogen

tot zaterdag zeker

oude schoonheid
die bij de koop niet inbegrepen leek

Sieth Delhaas

Oh, wondere wereld

OH, WONDERE WERELD

De wereld heeft een tweegezicht
Het ene ligt in duister, het andere in licht
Hoe is zo’n wond’re wereld ooit te vatten
In een simpel alledaags gedicht

Zijn het …

De puppy-ogen die jouw ziel weerkaatsen
De spinnen die hun eieren in blaadjes plaatsen
Het burlend hert dat teder is voordat hij paart
De nijv’re bij die nectar voor zijn koningin vergaart

De vader die zijn dochter naar het altaar begeleidt
De moeder die haar zoon een feestmaal heeft bereid
De leraar die zijn leerling net dat ene zetje weet te geven
De minnaar die zijn lief de opperste extase doet beleven

Dan ook …

De adelaar die zwevend spiedt, dan duikt op prooi
De maden die een rottend lijk verkeren in een klerezooi
De tijger die zijn tanden slaat in ranke nek van antiloop
De miereneter die verderft zaait in een mierenhoop

De vader die zijn dochter heeft verkracht
De moeder die haar zoon verplettert onder moedermacht
De leraar die zijn lid in leerling heeft gestoken
De minnaar die gedachteloos haar hartje heeft gebroken

Oh, wond’re wereld, wie boetseerde ooit uw tweegezicht
Het een verduistert, het andere verlicht
Uw dubbeltronie wekt zonder uitzondering
.........verwondering
Bovenal het wonder: wie ben ik …
die dit zomaar dicht …

Neletta van Heuven

Inhaalverbod

De trein scheurt het landschap open
huizen en bomen vluchten naar alle kanten
er galopperen paarden door het gangpad.

Ik trek aan de noodrem
snelheid ontaardt in stilstand
de tijd verstijft van schrik.

Alle aanwezigen wijzen met
trillende vingers naar mij

de conducteur kijkt mij
met holle ogen aan
hij weet wat hem te doen staat.

Mij rest slechts overgave
ik draag de schuld van een vroegtijdig einde.

Geschrokken leg ik mijn boek terzijde.

Leen de Oude