donderdag 31 oktober 2013

Dichterscafé oktober 2013

Dichterscafé oktober 2013 - Onderwerp:
Vorst en Volk (thema van de maand van de geschiedenis)

Inleiding bij de 31ste bijeenkomst van het Deventer Dichterscafé door Jos Paardekooper:

Helmers, ‘De Hollandsche Natie’
Over een maand is het zover: dan herdenken we het heuglijke feit dat eind november 1813 de zoon van onze naar Engeland uitgeweken laatste stadhouder, Willem V, aanspoelde op het Scheveningse strand, om eerst als soeverein vorst, uiteindelijk, nee, niet als stadhouder Willem VI, maar als koning Willem I ons land te gaan regeren – waarmee hij de Republiek der Verenigde Nederlanden zomaar tot een koninkrijk promoveerde, of degradeerde. In ieder geval nog lang geen democratie, want tussen vorst en volk stonden op dat moment nog een grondwet en talrijke praktische en andere bezwaren.
Ook los van dat feit stond de nog prille negentiende eeuw bol van nationalisme en vaderlandsliefde: met de komst van Willem I viel de bevrijding van ons land van het Franse juk samen, en groeide na de val van Napoleon en het Wener Congres (1815) alom in Europa het besef dat burgers leefden in en deel uitmaakten van een land, beter nog: van een natie. De tijd van de natiestaten was aangebroken. En die burger werd geacht trots te zijn op zijn land, en dat ook in zijn eigen volkstaal te bezingen; ‘de taal is gans het volk’, immers.

Als geen ander is dat ten onzent gedaan door Jan Frederik Helmers, die overigens dat aanspoelen van zijn eerste koning niet meer heeft mogen meemaken. Hij stierf, amper 45 jaar oud, op 26 februari 1813, slechts een paar maanden na het verschijnen van het werk dat hier kort zal worden besproken, De Hollandsche Natie. Bij zijn tijdgenoten was hij, mede door deze zwanenzang, ongelooflijk populair: van het gedicht verschenen tientallen drukken in vele duizenden exemplaren, en binnen vijf jaar was het al integraal vertaald in het Frans, Engels, Duits en zelfs Maleis.
Ons oordeel over die jubelzang op ons nationale verleden is sterk gekleurd door wat dichters en critici vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw hebben geoordeeld. Dat begon al in de jaren dertig van die eeuw, in kritieken in het toen al roemruchte tijdschrift De Gids, door de scherpe pennen van Conrad Busken Huet en Potgieter, en dat is sindsdien zo gebleven, tot in onze eigentijdse schoolboeken, zoals hier in de befaamde Literatuurgeschiedenis van H.J.M.F. Lodewick, waarmee in ieder geval de roomse jeugd na de Tweede Wereldoorlog is opgegroeid:

‘De Hollandsche Natie [geeft] hem meer recht […] op onze bewondering voor zijn moed dan op onze waardering voor zijn talent. Het gedicht is door zijn chauvinisme, retoriek en bombast lichtelijk lachwekkend, maar er was moed voor nodig om dit gedicht in die tijd onder de neus der Fransen uit te geven: het bevel tot arrestatie kwam juist één dag na ’s dichters dood.’
(o.c., deel I, 11de dr., 1963, p. 259)

Wat chauvinisme, retoriek en bombast precies waren, dat wist ik toen als jonge middelbare scholier nog niet, maar die dood terwijl de politie aan je deur staat te rammelen, dat sprak ons erg aan. Helmers’ eigentijdse couranten formuleerden het omfloerst: ‘Hij werd weggerukt uit dit aardse tranendal, nadat hij zijn arbeid ten dienste van zijn vaderland had voltooid; het zaad was in de aarde gestrooid.’

Intussen vertoont onze eigen tijd interessante gelijkenissen met die van twee eeuwen geleden; ook nu een hang naar het verleden, afgetopt met een iets minder grootsprakig sausje van nationale trots. (Tenzij het overwinningen op sportgebied betreft: dan gaan alle remmen los.) Wij zouden onze nationale identiteit, of onze liefde voor het vaderland (die volgens de negentiende-eeuwer ‘een ieder is aangeboren’) niet zo gauw meer aldus verwoorden:

ô Grond! waarop, in blijde dagen,
Een moeder me onder ’t hart gedragen,
Mijn wieg, en rinkelstoel met bloemen heeft bestrooid!

ô Grond! waarop in reine weelde,
Ik aan haar’ dierbren boezem speelde,
ô Aangeboren grond! neen, ik vergeet u nooit!

Maar in haar voortreffelijke uitgave van het gedicht dat met deze regels begint, benadrukt Lotte Jensen, hoogleraar negentiende-eeuwse letterkunde te Nijmegen, de kwaliteiten die het, ondanks alle bombast die er inderdaad aan kleeft, toch ook de moeite waard is, en niet alleen omdat de auteur er zowat vijftien jaar aan gewerkt en geschaafd heeft:

Het is ook een zorgvuldig geconstrueerd, erudiet en gestileerd geheel. De tekst is bovendien representatief voor een periode waarin vaderlandsliefde het kloppende hart van de literatuur vormde.’
(J.F. Helmers, De Hollandsche natie, ed. Lotte Jensen, Vantilt, Nijmegen, 2009, p. 10)

Voor deze bijeenkomst en dit gezelschap is Helmers’ gedicht naar ik meen vooral om de volgende twee redenen interessant.
Ten eerste benadrukt Helmers in de ‘Voorrede’, die aan het gedicht voorafgaat, dat de tekst nadrukkelijk bedoeld is om gereciteerd, voorgedragen te worden, en niet in stilte en in de eenzaamheid van huis- of studeerkamer gelezen. Hij vertolkt daarmee een algemene mening van de negentiende eeuw: poëzie is, net als muziek, expliciet bedoeld om te horen, niet, in ieder geval niet allereerst om te lezen.Niet voor niets bestaat zijn gedicht uit zes zangen. Dat lijkt me voor een gezelschap als het onze, waar de leesbaarheid versus de hoorbaarheid van onze eigen gedichten geregeld ter discussie staat, en waar we zo graag de tekst van het voorgedragene vóór ons willen hebben, een interessante opmerking.
Ten tweede lezen we in diezelfde ‘Voorrede’ aangaande de stof, het onderwerp,  van onze poëzie dat grote, diepgaande onderwerpen zich daar niet voor lenen, maar dat we het juist over de kleinere dingen moeten hebben. Letterlijk schrijft Helmers:

Er is geen onderwerp, hoe arm, hoe klein, hoe nietig ook in zichzelve, dat voor den dichter niet rijk, groot, belangrijk zijn kan, wanneer hij waarlijk dichter is. Zijn gevoel, zijn gloeijende verbeelding, zet zijn geheele ziel in vlam, en hij weet het gevoel, dat hem bezielt, in het hart zijner lezers en hoorders uit te storten. ’t Is daar, waar zijn onderwerp bijna geen stof aanbiedt, dat zijn scheppend vermogen zich ontwikkelt: dan is het, dat hij waarlijk dichter, dat is: schepper zijn kan.’

En het is ook daarom dat hij zelf aangeeft zijn gedicht ‘met schroom’ aan zijn lezers ‘ter hand te stellen’. Het onderwerp immers is eigenlijk te groot. Ook dit standpunt, deze opinie, lijkt me voor ons gezelschap van belang, en wellicht voor sommigen van ons, die zouden schromen bij wijze van spreken over zoiets alledaags als ‘jonge sla’ of een ‘Singer naaimasjien’ te dichten, een steun in de rug. Al hoeven we de poëzie-opvattingen van Helmers natuurlijk niet te delen.

Nogmaals: ons oordeel over Helmers’ dichterlijke voortbrengselen is ernstig ingekleurd door het tamelijk vernietigende oordeel van latere geslachten. Wie aldus begint (het zijn de aanvangsregels van het eigenlijke gedicht):

Barst los, bezielt u, heilge snaren!
De lofzang ruisch’ deez’ bosschen rond:
’t Gevoel stroome uit uw hart, gewijde priestrenscharen!
Heft aan, ô Wodans harpenaren!
’t Geldt de eer van d’ouderlijken grond. –

… kortom, wie zo kwistig rondstrooit met ‘heilge gronden’ en uitroeptekens, die kan reacties, zelfs van kunstbroeders, verwachten als deze:

Wij allen weten dat Jan Helmers’ groote Natie
Niet machtig groot is in de kleine konverzatie.
(Peter A. de Génestet, 1849)

Of deze:
Laat niemand u verdenken
Als of gy aan ’t feit zoudt twijflen
Dat, sints  zijn bestaan, ons Neêrland
Een aparten Lieven Heer heeft,
Dat aan ons in elken zeeslag
De overwinning is verbleven,
Dat zich Helmers nimmer schuldig
Heeft gemaakt aan overdrijving […], etc.
(Jacob van Lennep, 1854)

De doodssteek, voor zover nog nodig, deelde de gevreesde literatuurcriticus Menno ter Braak uit, in de dertiger jaren van de twintigste eeuw, met de volgende definitie:

‘Helmersesthetiek – dat is de verzamelnaam voor alle Nederduitsche, Opperpommersche en Boven-Moerdijksche agrariërs-bombast.’

Het zij zo. Maar toch; als Helmers zijn zangen, na een kleine 3500 dichtregels, besluit met de volgende woorden:

En Gij mijn Landgenoot! ô zoo ik ’t lot mogt danken,
Dat ik één harte slechts bezield heb door mijn klanken,
Eén ziel ontgloeid heb tot der vaadren moed en kracht,
ô Dan is niet vergeefs mijn zang U toegebragt.

dan mag hij, wat mij betreft, op dit moment voor even weer een klein beetje tevreden zijn: het is niet helemaal vergeefs geweest, want ‘het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’


De gedichtenronde wordt voorgezeten door Jan van Laar

Gedichten van deze bijeenkomst:
Kloos reading door Leen de Oude
(passend bij het thema van het Deventer Dichterscafé: "en dorst is alles wat men overhoudt").

Ik zoek een koning door Dick Smeijers
Mijn vorstin door Herman Posthumus Meyjes
Vorst en Volk door Ingrid Beckering Vinckers
Vorst en Volk door Michiel van Hunenstijn
Haan door Jan van Laar
Vorst aan de grond! door Cees Leliveld
In naam van God en vaderland door Neletta van Heuven
Clash Control door Maarten Douwe Bredero
Vorst door Greet Dijkhuis
Standbeelden door Tinus Derks
Een ruige vorst door Nele Holsheimer
Vorst en Volk door Sieth Delhaas
Van man en macht door Marianne Sorgedrager- Van Halewijn
Vorst en Volk door José Hattink-Blom
Klaaglied voor een koning door Wim van den Hoonaard
Vorst en Volk door Violet Asseruit Mane
Zo kuis als ijzer door Dick van Welzen (niet voorgedragen)
De condor door Pieter Bas Kempe
Zo'n opgave door Klaas Wijnsma

Kloos reading

Gij weent om bloemen in de knop gebroken
en doet door tranenvloed uw glas beslaan.
Uw eigen schuld dat zij niet zijn ontloken:
Ge had geen water in de vaas gedaan.

Ge zit daar zielig in uw smart gedoken
van alle kleur en geur geheel ontdaan.
Laat mij u dan met goede raad bestoken:
Ook uw glas staat droog, doe er dus iets aan.

’t Zou jammer zijn als ge van dorst versmacht
alleen omdat voor u geen bloempje bloeit.
Neem toch een droogboeket! Wat maakt het uit?

Zorg voordat gij uw moede ogen sluit
dat hier de ed’le wijn weer rijkelijk vloeit.
Maar g’ hebt geen kurkentrekker meegebracht!

Leen de Oude

Ik zoek een koning

Ik zoek een koning
Die op handen wordt gedragen
Een vorst zo echt gewenst
Dat hij voor altijd wordt herkozen
                                     
Ik zoek een koning
Die geen zetel heeft
Maar een gewone stoel
Een mens om aan te raken
Ik zoek een koning
Die voor jou en mij
(Als wij bijeen zijn)
Onze liefde wil bekronen.
Ik zoek een koning
Voor jou en mij
Die als het er op aankomt
Ons zal dragen.

Dick Smeijers

Mijn Vorstin

Haarlem, mei 1945

Zij was een half-track, een DUKW, een jeep,
een twee-en-een-halve tonner, een Bren-carrier,
een APC, een Shermantank, een mijnenopruimer
met wild rondzwaaiende armen,
een machtig stuk mobiele artillerie,
en ik voelde het grijsgroene staal
dat mij onoverwinnelijk voorkwam, en het ook was,
en op die gepantserde rug reed ik
naar Lisse en Hillegom en andere onbekende oorden.
Even onoverwinnelijk was zij zelf, enkele dagen later,
die wuifde met kleine spiegelbeeldige gebaren,
waarbij zij voortdurend knikte en glimlachte --
alsof wij aanmoediging van node hadden.
'Geen van de ongeborenen …..', maar op dat ogenblik
was ik wel zeer geboren, meer geboren
dan op enig ander punt in mijn leven.
En nooit was ik trouwer vazal,
want mijn vorst had overwonnen.

Herman Posthumus Meyjes

Vorst en volk

Ooooooo vorst - het is niet voor het eerst dat
u regeert met straffe hand, naar ik vermoed –
ook niet voor het laatst
Uw snijdende koude noopt tot een
belachelijk vroege aanvang dezer dagen
Met toenemend gevoelloze handen zet ik mij af tegen
nachtelijk gevormde grildril op mijn ramen

Hoe zichtbaar is nu iedere ademteug en dat niet alleen
Een heel volk vertraagt in beweging is
wachtend op lossende wolken in en om de koets

Als vanzelf is daar dan weer die koorts
die ons warm en smeltend van verlangen naar de ijzers grijpen doet
Vanaf de bodem bezien ontvouwt zich hoog een gravure die
de onderkant van het gepeupel naarstig in uw gestolde stromen kerft
Geluidloos gaat dit niet - pijnloos evenmin
Maar waar anders spiegelen vorst en volk
dan na het horen van: It giet oan, it giet oan

Ingrid Beckering Vinckers

Vorst en Volk

Vorst en koets
vorst en feest
vorst en geld
vorst en vrouw

vorst en vet
vorst en worst
vorst en pils
vorst en dom

vorst en troon
vorst en galg
vorst en rad
vorst en graf

Michiel van Hunenstijn

Haan

Dominante leider, onbetwiste verleider van wel twintig
kippenmeiden, snoer de bekken van die bende hennen,

die met kalm gekakel, vrouwelijk gewauwel en
drammerig gedrens de stille dag verstoren. Laat dit

alles niet ontaarden in dramatische uithalen: iedereen
weet allang waar de eieren vandaan komen. En jij

haan, kraai met mate en blijf waakzaam. Wees een
vorst, maar vrees de vos!

Jan van Laar

Vorst aan de grond!

Zo luidt de onheilszwangre tijding
die ons via coole glazen vezels
en achterlijke, ouderwetse ethergolven
this very evening heeft bereikt.
Holy cow!
Het zal onze Willem toch niet wezen?
W.A. van Buren, gelauwerde
IJsheld van de Friese Elf Steden?
Als evenwel een schip de grond kan raken
of een vliegtuig, in een crash
waarom dan een monarch niet?
Onze Willem Alexander aan de grond!
En nog maar net begonnen,
de slingers ook net weg.
Een hoogvlieger zou hij niet zijn,
zo luiden de verhalen.
Maar wel in snelle vlucht
zijn gouden wings behaald,
fraai afgetekend
op het onderliggend donkerblauw.
Hij zal toch niet…….
het tragisch beeld van Icarus
wil voor ons oog niet wijken!
De onheilstijding zal grondig
moeten worden nagelopen.
Het volk spoedt zich nu al
in opperste verwarring
naar het Paleis Noordeinde,
om daar verhaal te halen.
Willempie, hoor je overal!
Willempie, ’t is een raar geval!

Ach, was Andre nu maar hier,
Van Duin bedoel ik.
Om dit lied uit volle borst
ons krachtig voor te zingen!
Maar, wie zien wij daar nu,
als opgedoken uit het niets
in scherp gesneden koningsdracht
op het balkon verschijnen?
Met de licht gebruinde, blond gelokte,
fraai gevormde Maxima?
‘t Is Willem-Alexander,
zo waar als ik hier sta!
Des volks noodkreet kwam tot hem,
zijn oor was niet des dovemans!
Hier ben ik mensen!
roept hij unverfroren
tot het huiverende volk.
’t wordt wel wat fris vannacht
maar daar ken je je op kleden.
laag bij de gronds zijn wij toch niet?
Dus als u het niet erg vindt
ga ik de zaak hier sluiten.
Ik wil ook wel eens naar bed
en wel met uw vorstin.
Kom nog eens langs,
’t was hartstikke gezellig!
De armzwaai, de gulle lach
Ten afscheid.
Dank oe wel, fluistert nog
de licht ontroerde Maxima.
Een traan blinkt in haar oog.

Cees Leliveld

In naam van God en Vaderland

Warmbloedige slavin
Een vorst pikt haar in
Overdag voor gemalin
's Nachts ... zijn min
Zo promoveren vorst en vorstin
Een warmbloedige slavin
Tegen haar ziel en zin
Tot dooie ijskoningin

Neletta van Heuven

Clash Control

Met dit krassen
van het glas op
de thans bezwete huid
raakt mijn zware kogel
jouw onbevangen kruis

zodat
voor even vaandels
eeuwig lijken

Laat ons krabben
harde nagels
deze donkere dos
en voor altijd schermen
als een heilige god

zodat
uw steken kronen
nooit bereiken

Maarten Douwe Bredero

Vorst

regeert met harde hand
brengt mensenmassa’s op de been:
bibberende onderdanen
klappertandend volk

brengt oevers dichter bij elkaar
schept watervlug verdraagzaamheid
smeedt dorpen in een nacht aaneen
schrijft onverbloemd op ramen

beheert landouwen wit berijpt
dicht sloot en beek hermetisch af
edoch, zijn heerschappij is erg beperkt
die eindigt als ’t gaat dooien

Greet Dijkhuis

Standbeelden

Alexander de Grote, Carolus Magnus,
William the Conqueror, Jean sans Peur,
Il Magnifico, Alfonso o Conquistador,
Le bon Roi Henri, ook wel Le vert Galant,
Louis le Grand, ook wel le Roi Soleil,
Friedrich der Grosse, ook wel der Alte Fritz.

Der Keerlen God, Willem de Zwijger,
Stedendwinger,  Koning Koopman,
Koning Gorilla, Prins Pils.
Het Dankbare Volk

Een ruige vorst

In het rijk der elf steden
is het volk tevreden, wanneer
een strenge vorst regeert.

Doch
mocht de vorst een vorstje zijn,
heel licht en wit bevroren,
het ijs te dun, een korstje slechts,
waarop een ruige vorst
een scheve schaats gaat rijden,

breekt koorts uit in het hele land,
regering  roept een crisis uit,
er wordt vergaderd en gemeten,
de nok van 't dak vergeten,
niets gerepareerd,

de strenge vorst,
in engelenkoor
aanbeden en vereerd.

Nele Holsheimer

Vorst en volk

Vorst en volk uit de maat
Één, twee, drie, juffrouw kwaad
Ruim één eeuw vorstinnen
Macht geen thema
Vorst en volk is voorbij
Hermelijn aan de kapstok
Demos nu aan de slag
Burger en boer

Sieth Delhaas

Van man en macht

Il maintiendrait

Alleen de vorst die sterk
als een vorstin, volhardend
vriendelijk en dienstbaar  
kan handelen en zijn

alleen zo’n moedig vorst
is waard om te regeren          
want hij bestaat dank zij
het volk, dat daarentegen -                      

Waarlijk, hij zal zijn volk
op die manier tot zegen zijn
en dan, blijkt hij alsnog
toch ‘een beetje’ wijs

Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Vorst en volk

ijzige stilte
de vorst bevriest
z’n onderdanen      

ze zitten ver weg
daar beneden
geheel ontevreden

de zon schrijd, schoorvoetend
naar de onderdanen
en ontdooit ze

zet ze op een rijtje
het lijkt een eitje
de afstand is te groot

de onderdanen schokken
komen…. niet in beweging
een stap te ver

José Hattink-Blom

Klaaglied voor een koning

(ode aan de nar)

In een vastgeroeste kooi zit hij, de koning,
Met zijn geboorterecht op macht,
Door veel pracht en praal verzacht,
Wie mag honen zo’n vertoning?

Ivoren torens beschermen zijn troon,
Elk is voor hèm in dit koningsspel,
Waar zijn tred als een stropdas knelt
Hunkert hij heim’lijk naar spot en hoon

Wie verlost de koning uit zijn kooi,
Voor wie mag de loper soms uitgegooid,
Waar is de nar in het schaakspel gebleven?

Ik zag er met een aap ooit vier,
In plaats van torens, zoals nu hier,
Dáár is de nar in het schaakspel gebleven!

Wim van den Hoonaard

Naschrift:
In het Rijksmuseum (collectie Middeleeuwen) is een schaakspel met narren (met apen op hun rug/schouder) i.p.v. torens. Voordat ik het tegenkwam, had ik al het idee om iets te schrijven over een nar in een schaakspel.
(vergelijk ook: het Narrenfeest: een korte periode in het jaar waarin de narren de ‘feodale heersers’ mochten vermaken door ‘alles te mogen zeggen’, met veel spot en hoon; en humor denk ik).  
        
Mijn naam schijnt afgeleid te zijn van Hogenwaard/Hoenwaard -hoge uiterwaard-; heeft dus niets met ‘honen’ te maken.. 

Vorst en Volk

Monarchen, belhamels zie ze schallen
Voortdurend laten zij de flessen knallen
Plop zegt de kurk en die schiet ergens heen
Gierend gaan zij op weg en zien ‘zij’ iedereen

Knikkend, buigend gaan ‘zij’ door met deze façade
In de hoop erbij te horen maar worden ingevroren
Omdat Vorst en volk nooit verwanten zijn geweest
Tis net een vrieskou en men ziet blauw van de kou
De mens is nog ‘altijd’ hoogdravend bezig om deze troon
tot de hemel te laten groeien met hun handen in de boeien

De meerderheid kan hier niet tegen omdat ieder ‘t zelfde is
We zijn mensen van vlees en bloed met of zonder ‘blauw’
De blauwe mens voelt zich verheven boven jou
Maar laat ons bijna eeuwig staan in zijn of haar vrieskou

De vrieskou waait over ons heen en de vorst sabbelt op zijn fopsteen

© Violet Asseruit Mane

Zo kuis als ijzer

Nog ligt het veld waterloos, geen strenge vorst verwacht
doch een keizer, ‘zo kuis als ijzer’, zegt
Goethe over hem, hij die zich in Leipzig dorst te wagen,
de stad torst de herfstdracht van haar lindebomen
dan breekt bruut de reeds verwonde ring van beleg
die om de ongelukkige was geslagen, in verwondering
ziet het volk de vijand door de poorten komen.

Stormenderhand nemen ze de bruggen
alsmee de vrouwen, zonder woorden
van enig kritisch verstand de hoge heren
van deze rijken, de Pruis in z’n element
de Zweed uit het rijk van het koude noorden
uit de oost de Wener en ook de wilde beren
van de Berezina melden zich present.

Op de lange mars gingen zij allen
naar de volkerenslag, de slacht
twee volle eeuwen terug, vallen
zullen ze met meer dan honderdduizend
om op vreemde bodem te creperen
zij staan niet meer in hun kracht
zou nu wellicht de taalgeilaard oreren.

In dit uur zonder mededogen, geen steek
voor ogen, slechts hoop op een van genade
water en vuur regenen gelijk een bombardement
le grande armée verslagen, ouwe lullen en jongeheren
geronseld uit menig Hollandsch departement
werden van de kaart geveegd en ik warm me
aan het vuur van mijn open haard.

De legers vanuit het noorden dreigen
de heilige vrijheid en ten leste een ieder
uit te moorden, anderen kunnen hier de tering krijgen
of de kolere, vlucht uit deze veste over de rivier
maar de brug wordt te vroeg opgeblazen
ontelbare doden – ondoenlijk om ze te verzorgen
zelfs voor de goden om ze te begraven.

Zo doemt op uit de mist een nieuw Europa
ik volg vandaag de slag na tweehonderd jaar
op de verziener in mijn tweede huis en land
op veilige schootsafstand van daar, in die lindenstad
studeerde kuis als ijzer keizerin Angela
ik dagdroom van al haar impotente drones
en ‘de kleine Guillaume’, haar verkrachte Nokia.

© Dick van Welzen

De condor

Vertaling van het gedicht: El cóndor van Pablo Neruda
Ik ben de condor, zwevend
hoog boven jij die wandelt,
en weldra, in een wirwar
van wind, gekras en veren,
stort ik mij op jou, hef jou
omhoog in schril gewervel
van ijzingwekkend stormtij.

Mijn verre sneeuwen toren,
mijn diepe zwarte schuilplaats
is waar ik jou breng:   eenzaam
leef jij, krijgt langzaam veren,
zweeft ver boven de wereld
en zonder te verroeren.
Wij, condorwijfje, storten
ons op de prooi en sleuren
daaruit het rode leven,
met hartslag en al: zweven
dan zij aan zij de lucht in,
op nieuwe wilde wegen.

Pieter Bas Kempe

Zo'n opgave

Vertaling van het gedicht: En Tal Tarea van Santiago Montobbio  

Niemand weet van de stille last van het duister
of er is altijd iemand die nog meer lijdt, die met alle pijn
in stilstaand water niet weet welke gevallen god
of herinnering het lukken zal
de kille, scherpe lach van de nacht te verdrijven.
En niemand weet van de nare last van het najaar
of van het duister, het dichte omhullende niets niemand weet
wie altijd meer lijdt, wie door pijn
wordt overvallen en nooit weet
waar het vandaan kwam noch hoe
het zich zo diep in hem nestelen kon, en maar blijft hangen,
halsstarrig, pijn of duivel met duizend gezichten,
die iedere stap tot modder maakt,
vretende pijn van uit te bannen dolken
die maakt dat het duister in je duisterder wordt
dat je namen afsluit en ramen
in de nutteloze opeenvolging der dagen
weet niemand het, vertelt niemand
hoe je eraan ontkomt of hoe je het omzeilt.

Klaas Wijnsma