vrijdag 30 augustus 2013

Dichterscafé augustus 2013

Dichterscafé augustus 2013 - Onderwerp:
Augustus

Inleiding op het thema augustus en afsluitend een gedicht op de stadsdichter, door Jos Paardekooper. 

Op deze bijeenkomst van dinsdag 27 augustus, wordt de nieuwe stadsdichter Herman Posthumus Meyjes op velerlei wijze in het zonnetje gezet! Zo wordt er voor hem gezongen door diversionist Jozka en Maria, een gedicht voorgedragen door Pieter Bas Kempe van het Kopwit gezelschap uit Zutphen en krijgt hij bloemen en wijn. Herman draagt zelf het gedicht voor over zijn stadsoptreden, dat geschreven is door Michiel van Hunenstijn. En laat het nu ook Hermans verjaardag zijn..., dus dubbel feest!

Inleiding van deze bijeenkomst
Thema 'Augustus' door Jos Paardekooper


Gedichten van deze bijeenkomst
De stadsdichter en zijn stadshart door Michiel van Hunenstijn
Tuinfeest door Pieter Bas Kempe
Peper en zout door Wim van den Hoonaard (niet voorgedragen)
Uitverkoren door Wim van den Hoonaard (niet voorgedragen)
Augustus (haiku) door Theo de Jong
Verdrinken door Nele Holsheimer
Siddering door Violet Asseruit Mane
Whisky Coke door Maarten Douwe Bredero
Augustus (haiku 2x) door Janneke Rogaar
Opborrelend geluk in augustus door Jan van Laar
Augustus door Neletta van Heuven
Augustus' onrust door Ingrid Beckering Vinckers
Ode aan augustus door Cees Lelieveld
Rotterdam door Sieth Delhaas
Een dagje op het strand door Michiel van Hunenstijn

Thema ‘Augustus’

Het thema van deze augustusbijeenkomst, u wist het al, maar dat zal u niet hebben verrast, is ‘Augustus’. En dat de maand augustus, vanouds de maand-bij-uitstek waarin de groten der aarde verjaren (daarover zo dadelijk meer), zijn naam dankt aan de Romeinse keizer Augustus, ook dat was u allen ongetwijfeld al bekend. Maar wie wat verder gaat spitten in deze materie, komt toch nog voor onverwachte verrassingen te staan.

Bijvoorbeeld. Wat jammer, dat het vandaag 27 augustus is, en niet 28 augustus. Want dan hadden we even stil kunnen staan bij de 264ste verjaardag van Goethe, die immers op 28 augustus 1749 het levenslicht aanschouwde. Die kennis heb ik overigens nog maar kort geleden opgedaan, want ik ben amper terug van een bezoek aan de verrukkelijke stad Weimar, waar Goethe het grootste deel van zijn leven heeft doorgebracht, dankzij het schier onbeperkte maecenaat van Carl August, aartshertog van Saksen-Anhalt. In de talloze boekwinkels die Weimar nog altijd telt, liggen niet alleen de talloze werken van Goethe breed uitgespreid en dik opgetast, maar ook een bescheiden aantal boeken van zijn zoon, die ook al luisterde naar de naam: August. En in de onmiddellijke omgeving van Goethe leefden nog vele tientallen Augusts, wier carrières stuk voor stuk aanzienlijk meer gelijkenis vertoonden – natuurlijk wel mutatis mutandis – met de keizer van die naam dan met de in Duitsland spreekwoordelijke ‘domme August’.

Maar aan de andere kant mogen we ons juist weer verheugen in het feit dat het vandaag níet de jaardag van Goethe is, maar juist wél de 27ste. Want daardoor hebben we vandaag een heel andere, maar niet minder verheven jarige onder ons. En wel niemand anders dan Herman Posthumus Meyjes, de jonge aanstormende kersverse stadsdichter van Deventer, die heden in gepaste stilte zijn 86ste verjaardag had gehoopt te kunnen niet-vieren. [Vreugdekreten, handenschudden, bloemenhulde, aanzetten tot feestgezang, etc.]

Maar wie er allemaal ook jarig zijn of zijn geweest in augustus – niet keizer Augustus, die in het jaar 8 vChr. besloot de oogstmaand naar zichzelf te noemen, omdat hij in die maand (weliswaar al twintig jaar eerder) tot consul was benoemd, en zelf de eretitel ‘Augustus’ had gekregen. Tot dan toe heette deze maand sectilis (‘de zesde maand’), zoals de daaropvolgende maanden septembris etc. heetten en nog steeds heten (‘de zevende maand’, enz.); het Romeinse jaar begon immers in maart. Aardig detail, nu toch het woord ‘oogstmaand’ is gevallen: ons woord ‘oogst’ is een verbastering van ‘august’.

Dat verplaatst de vraag trouwens naar de onderliggende vraag wat die titel ‘Augustus’ dan wel betekende. Het Etymologisch woordenboek van het Nederlands waaruit ik een existentieel deel van deze wijsheden putte, houdt het op de gangbare verklaring: ‘Augustus betekent “gezegend, geheiligd, verheven”, afgeleid van het werkwoord augére = vermeerderen.’(1) Daarom ook staat er in de top van het Huis Vermeer, hier even verderop aan het Grote Kerkhof, naast de Latijnse school, ‘DEUS AUXIT’, God heeft vermeerd’, waarmee de bouwheer, bankier Vermeer, met een subtiele verwijzing naar zijn achternaam Gods hulp of goedkeuring wilde inroepen bij het ‘vermeren’ van zijn kapitaal; of van zijn deugden, wie zal het zeggen. Ook het woord ‘auteur’ blijkt, volgens ditzelfde Etymologisch woordenboek, van hetzelfde werkwoord augére te zijn afgeleid. (2) Want zowel Augustus als auteurs, en daarmee ook dichters, vermeerderen, verrijken de wereld met hun wijsheid en hun taalbeheersing.

Maar volgens de Romeinse geschiedschrijver Suetonius (eerste eeuw nChr.) is dit maar de halve waarheid. In zijn boek over de keizers van Rome (3) kunnen we lezen dat de titel ‘Augustus’ deels van het werkwoord augére is afgeleid, deels ook van de Latijnse term voor de vlucht der vogels (‘avium gestus’). Want wie in de vogelvlucht de toekomst kan voorspellen, en daarmee de beste beslissingen kan nemen voor zijn onderdanen (en natuurlijk ook voor zichzelf), die mag geacht worden een verheven heerser te zijn.
En als we het toch over voorspellende gaven hebben: het mag toch geen toeval heten dat keizer Augustus, die zelf een kleinzoon was van de zuster van Julius Caesar, zijn eigen kleinzoon met ver vooruitziende blik … jawel: Postumus heeft genoemd. (4) En zo zijn we dan geheel toevallig weer bij de jarige van vandaag aanbeland, en wordt het tijd om hem nog in een klein feestgedicht te gedenken, voordat wij ons aan onze eigen verheven ‘augustusgedichten’ gaan overgeven:


Lofdicht op de jarige Herman Posthumus Meyjes, 
stadsdichter van Deventer e.o.

O Herman, dichter van stad en ommeland: dicht voor ons!
Dichter van verzen als zalf en zonnebrand: dicht voor ons!

O Herman, brugleuning * voor ons, kreupele dichters,
Maak ons aan uw steunend voorbeeld verplichters: dicht voor ons!

O Herman, der Deventer dichtkunst kloppend hart **,
Vertolker van luim, en lief, en leed, en smart: dicht voor ons!

Verklanker van ons, stug en schamel,
Gij, boei en anker van ons rijmgestamel: dicht voor ons!

Gij, ziener van de vogelvlucht,
Voor geen roofvogel beducht: dicht voor ons!

O Herman,
Wij hebben eerbied voor uw nom de plume:
Ook Gij, Augustus, bij leven al Postuum!

Jos Paardekooper

*
voor alle zekerheid: kort geleden heeft de gemeente Deventer een brugleuning naar HPM vernoemd, vanwege zijn onvermoeibare inspanningen tot de aanleg van deze leuning, tot stut en steun voor de kreupele medemens.


**
in zijn laatste stadsgedicht heeft HPM zijn eigen nog immer kloppende hart verbonden aan en vergeleken met het     kruispunt Grote Overstraat/Spijkerboorsteeg, dat hij, met gepaste dichterlijke overdrijving, ‘het kloppend hart van de 
stad’ noemde. Voor een fotoreportage zie de website van de Openbare Bibliotheek, sub ‘Deventer dichterscafé’.


Bronvermelding
1)  Etymologisch woordenboek van het Nederlands (4 dln.), red. Marlies Philippa, Amsterdam University Press,
    Amsterdam, 2003-2009, deel A-E, p. 182-183.

2)  idem, p. 184.
3) Suetonius, Keizers van Rome, vert. D. den Hengst, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 11de dr., 2010,
    p. 73.

4)  idem, p. 543.

De stadsdichter en zijn stadshart

voor en over Herman

De stadsdichter zou voorlezen in het stadshart:
twee stegen die elkaar kruisten, het was een dorpse stad.
Er was geen microfoon, alleen een tafel met een bosje rozen
tussen de brasserie en de winkels in confectie,
het was een poëtische entourage, de menigte dromde samen.
De camera's flitsten, een stilte daalde neer over de stad.

De dichter las zijn gedicht niet een, niet twee, maar wel zes keer voor.
Telkens weer dat applaus en dat encore, en de dichter ging weer door.
Kerels als bomen, echt wel wat gewend, hielden zich wankel groot
en vielen stil. Vrouwen wierpen de dichter hun blikken toe, steels
zoals dat hoort. En had ook al niet een maagd zich aangeboden?
De stadswachten, breed en twee in getal, zorgden voor de goede orde.

Het optreden liep op z'n eind, de dichter kreeg bij zijn vertrek
gezelschap van een voorganger met witte benen:
een echte dichter, die is immers ongezond.
Ze zeiden dag en zeiden dat er nog gewerkt moest worden.
Op het Grote Kerkhof werd er in de kroegen
al met groot ongeduld op hen gewacht.

Michiel van Hunenstijn

Tuinfeest in Deventer

(voor Herman Posthumus Meyjes)

Als zomerboter smolt augustus heen,
doch straatlantarens en kraamkamerknoppen,
verbonden door de knapste kunstenkoppen,
begonnen plots te knipp’ren ongemeen

vanwege zeek’re boreling op jaren,
die aan de dichterlijke buitenlucht
werd blootgesteld, is het bezit van zucht
om aldaar stadse verzen te gaan baren.

Het Grote Kerkhof is op slag herrezen:
bewoner schrijft, de anderen gaan lezen!

Pieter Bas Kempe

(de ingenieuze installatie “Ai nati oggi / aan de borelingen van heden”  doet op het Sinte-Veerleplein te Gent, naar een idee van de Italiaanse kunstenaar Alberto Garutti, de straatverlichting knipperen zodra uit één der stedelijke hospitaals bericht ener geboorte doorkomt. Hier is de handeling verplaatst naar de Blijde Inkomst, op 3 augustus 2013 tijdens het Deventer Tuinfeest, van de vijfde Stadsdichter aldaar).

Peper en zout

Na jaren
komt hij
zijn toenmalige
trouwambtenaar
tegen
die hem vraagt
hoe het gaat

ach, mijn vrouw
heeft de broek aan
maar ik
koop haar bretels.

Wim van den Hoonaard

(SMS-gedicht; precies 160 tekens incl. spaties)

Uitverkoren

Soms kan ik toch
zo genieten van
andermans werk

en dan denk ik
bij mezelf:

het is ook niet
voor iedereen
weggelegd:

zand aanharken
in de duinen.

Wim van den Hoonaard

(SMS-gedicht; precies 160 tekens; ook geplaatst op www.precies160.nl)

Augustus (haiku)

In populieren
zonder zingende vogels
ruist zomer luider.

Theo de Jong

Verdrinken

Toen klokken nog tikten in kamers
was eind augustus de oma jarig.
Tantes in zwarte jurken
met zilveren beugeltassen.
Paardn, geduldig wachtend
in de schaduw van schuren.

Het kind hurkte bij een sloot,
keek diep in het heldere water.
Geen bullebak te zien
in het licht van de zon.
Het wenste de wiegende armen
van het waterbeest,
maar niet de knellende druk
op de oren, en in het hoofd
geen stem en geen naam ,
geen roep van de moeder,
niets meer te horen.

Nele Holsheimer

Siddering

De vonk sloeg over en een vlinder dronk.
Voel mij een vlinder. Staand op de Brink,
al zwevend en mijn lijf voelt flink,
het is de muze in mij. Die langzaam zacht klonk

met klanken van de maand augustus, rond mij,
fladderend proef ik de betoverende drank –
naar buiten wil ik schreeuwen, heb Dank -
maar binnen sta ik wachtend, in een lange rij.

Er is een fonkelend vleugje. Het is mijn ziel,
zij komt langzaam stil naar boven drijven.
Kijkend turend over de verte heen, zie ik het wiel,

het is vliegensvlug vonken aan het rijgen.
Mijn geest raakte buiten zinnen, en ik viel.
Sprankjes hoop en besef laat mij stilzwijgen.

© Violet Asseruit Mane

Whisky Coke

return to the deep
a pal from so long ago
taste his splash of youth
scenes of hiss and blow

salty drops rinse your body
while sinking still in peace
hear solely your eager breath
bubbles climb eardrums squeeze

eternal fear has settled in
stretching years of various found
fighting currents with dear ones
logically standing their ground

unlike my very own kin
two youthful buddies day and night
dependent yet ever supportive
on this submerged one time flight

subtle sight communications
exchanging gestures less than five
we look each other in the eye
stay tranquil on this weightless jive

endless speckles of light and dark
always changing size with shape
a life beyond its halfway point
explore chosen artificial drape

colors turn softly now
wave breaking surface out of sight
the burning sun has finally let go
be my solemn liquid guide

welcome to the deep
merciless like Uriah Heep

Maarten Douwe Bredero

Augustus (haiku 2x)

Goudstil korenveld
zomeravond in Warffum
zoemende combines.

Schommelende trein
van Groningen naar Zwolle
zon kleurt hemel rood.

Janneke Rogaar

Opborrelend geluk in augustus

Mensen die zijn uitgedroogd door zuivere maar
zelfgekozen vruchteloosheid, vieren met elkaar

vakantie in de warme maand augustus. Na wat
verstandelijk gehannes over wat laag is en wat

hoog, proberen zij in de gehuurde schuur aan de
onderkant van de bovendorpel te gaan hangen.

Hoewel dit niet lukt, boeren zij na deze exercitie
borrelend geluk op, alsof ze eindelijk dode mussen

hebben gebaard. Vol goede moed dragen ze
vervolgens tot de rand gevulde watervaten naar de

zee beneden hen, ter hoogte van het nudistenstrand. Zij
voeren deze handeling geconcentreerd en zwijgend uit.

Bovendien in kreeftengang en met half geloken ogen,
want als puristen willen zij beslist zo min mogelijk naakt

zien. Zij gooien de vaten als goedbedoelde
vakantiebijdragen in de rusteloze, onverschillige golven

leeg, terwijl zij hun ergernis over het ondankbare water
in verwarde, woordeloze klanken uitroepen die doen

denken aan het verscheurende kreunen van gestoorde
trombones. Dan gaan ze van het naaktgekleurde strand

terug naar al het hogere daarboven: als blindgangers,
maar onbevlekt.

Jan van Laar

Augustus

Begin augustus
Elk jaar weer
Het dichtersfeest
Voor veel geld
De dichter leest
Een enkel hoort
Want meer nog telt
Ben jij er ook geweest?

Neletta van Heuven

Augustus’ onrust

Eeuwig klem tussen juli en september met altijd weer
die traag kortende dagen met dampig ochtendlicht en weten
dat zon en warmte allengs duisternis en kilte brengen zal
Zo maakte ik mezelf wijs dat ik niet de achtste was in rij
en besloot een ruil voor te stellen aan iemand
van een priller jaargetij.

IJsheiligen, met hun immer geniepig karakter,
verklaarden weldra op hoge toon dat dit toch werkelijk niet kon!
Hun ijs in sloten en op vensters was in mei nog net bon-ton
maar in augustus in die monden…..
Verworpen werd mijn droom door zondeloze ridders
ik, verachte keizer van dit dozijn.

Ingrid Beckering Vinckers

Ode aan augustus

De zomer komt, in lome golven aangerold
En neemt bezit van boom en struik
Van stad en land
En vast besloten nooit meer weg te gaan.
Augustus (hij die geroemd wordt)
Sluipt op kousenvoeten naderbij.
Hij lost Juli af,
Zijn zusje, de lichtvoetige.
Hoewel zijn rijk oneindig lijkt
Vreest hij de komst van neef september,
De onberekenbare.
Die kille regen stuurt of zonneschijn,
Al naar het hem belieft.
Maar voorlopig schijnt nog de augustuszon
En kleurt de bessen, rood en zwart,
Verwarmt het bladerdek, zwaar in overhang.
Augustus, stralende heerser der seizoenen,
Blijf lichtend op ons pad
Als wij door herfst- en winterstormen moeten gaan.

Cees Leliveld

Rotterdam

Smaak van zilt water
zicht op grijsblauwe golven
schuiven tussen mij en m'n ontbijt

In de voorbije nacht van die 1e augustus
om 2 uur precies werden een feit
andere vaarroutes
de grootste omleggingen ooit

2013 een streep aan de balk

Getallen maken zich breed
kerven zich in mijn geheugen
554 kilometer vaarweg gewist
260.000 scheepvaartbewegingen aan banden gelegd
30 boeien vernieuwd

Wat ik 50 jaar terug achter me liet
en nooit meer verbeidde
neemt via cijfers en letters in één oogwenk
bezit van mijn pa- en pupillen
van huid en haar

Het bericht over zee, havens en schepen
zet de stad die passée leek
in één klap terug op mijn cv

Sieth Delhaas

Een dagje op het strand

Je was een dagje op het strand geweest. Het zat erop, je ging weer weg.
Pakte je spullen bij mekaar, klopte het zand eraf en keek het stuiven na.
Het was avond. De dag was voorbij en jij keek terug.
Er was alleen maar zand. Er was alleen maar zee. Het was genoeg.
Het was ochtend en al vroeg heet. Het strand, daar kwam een meisje aan.
Ze liep langs de vloedlijn, haar ogen al wandelend gericht in haar boek.
Verwacht je niet, brevieren op het strand. En ook niet die non van verderop.
In haar habijt, kruis om haar nek, kapje om haar hoofd, vol ornaat.
Op haar klapstoel, met in haar hand een opvoedboek,
ze bleek leidster van een groep. Zit daar totaal op haar gemak.
Boeken op het strand was het helemaal dit jaar, leek wel,
de jongen verderop, die was in dinosauriërs verdiept.
En er was natuurlijk je eigen boek. Je was nu toch al op de helft.
Het boek knarste van het zand en zout maar las wel lekker weg.
Je was toch wat bezorgd: het was de laatste van je vakantiestapel.
Bij de souvenirkiosk trok een jongetje aan de jurk van z'n moeder,
zij trok gelijk verschrikt terug: het was een straplessjurk.
En daar loopt, volledig wit geschminkt met zonnebrand,
je buurjongetje, petje op, zoontje van bezorgde ouders.
Een dagje op het strand, je bent bruin, je bent verbrand.

Ginds zie je de vuurtoren met daarnaast het paviljoen.
We aten daar een dame blanche en een pêche melba.
Je keek daar van die klif zo loodrecht in de zee.
Je deinsde wat terug, hier was ooit iemand doodgevallen.
De terugblik op vandaag vermengde zich met
herinneringen van vroeger, het onderscheid werd vaag.
Je denkt aan het ritje met je nichtje vroeger op die tandem.
Jullie kregen ruzie op dat schelpenpad, boos liep ze weg.
Elke avond reed er toen een geluidswagen door het dorp.
Het circus kwam langs, dat liet men weten. En er was muziek.
De bonte tenten en de wagens had je al zien staan.
En 's avonds was er altijd dat blaasorkest in de winkelstraat.
Ze hielden nooit op, er waren lichtjes, en toch moest je naar bed.

Het lijkt zo enkel een strand en het lijkt daar gewoon een zee,
maar je bent op dit eiland. Je voelt het vergrootglas op de kaart.
Het eiland, nu je het zo ziet: die kindertreinen, die kermissen,
die ijscokarren, die poppenkastspelers, die draaimolens -
je dacht: nog een trampoline erbij en het eiland zou zinken.

Je fietste met je ouders naar de plekken die zij wilden bezoeken.
Hier kweekten ze oesters, daar  kweekten ze mosselen,
en ook droogden ze hier zout. Je vond dat het stonk.
Je ging nog met een bootje mee. Je zag het strand ver weg.
Nu was je zelf zo'n stipje aan de horizon.
's Avonds aten ze mosselen en vis bij de haven.
Jij dronk cola, je vond dat het er stonk.


Je had hier vandaag gewandeld, langs de vloedlijn
en weer terug. Je hebt de laatste eer bewezen aan een levenloze
aangespoelde kwal. Je gaf hem een grafsteen versierd met wat wier.
Je liep op blote voeten en dus werd je door zandvlooien besprongen.
Stel, je komt als zandvlo ter wereld. Dan is dat je leven
en je lol: tegen blote voeten springen 's avonds op het strand.
Elke voetafdruk vulde zich nu met het water van de zonsondergang.
Daar ligt nog steeds dezelfde vrouw als vanochtend, je bent bezorgd,
ze lijkt niet van haar plek geweest, de vloed likt al aan haar tenen.

De vloed die gaat, de eb die komt,
je herkent de boel haast niet meer terug.
Het water was blauw, werd groen en uiteindelijk grijs.
Er hangt onweer in de lucht. De horizon bleef strak,
en werd daar precies door de bliksem geraakt.
De strandwacht verruilde de oranje vlag
voor de rode. Er was gevaar. De zee ging dicht.
Je bent een dagje op het strand geweest.

Michiel van Hunenstijn

(een tikje lang, en onder meer om die reden, een niet-voorleesgedicht, maar behouden voor de weblog)