dinsdag 28 mei 2013

Dichterscafé mei 2013

Dichterscafé mei 2013 - Onderwerp:
Kliekjesdag

Op deze bijeenkomst aandacht voor de vele ‘kliekjes’ onder de gedichten. Door het grote aantal inzendingen van de voorgaande maanden zijn veel gedichten, zowel de thematische als die in de vrije productie, niet aan bod gekomen. Daar is nu alle gelegenheid voor!



Voor deze gelegenheid heeft Alfred Bronswijk zich laten inspireren door een 'kliekjeslied' te schrijven, waarmee we van start gaan en waarvan het refrein door een ieder uit volle borst wordt meegezongen.

Gedichten van deze bijeenkomst:
Kliekjesdag door Alfred Bronswijk
De kat van Toko Kim Lan door Michiel van Hunenstijn
Apocalyps door Jan van Laar
Startmanifest van de humanist door Klaas Wijnsma
Poesjkin (thema april 2013):
Poesjkin door Nele Holsheimer
Zonder titel door Pieter Bas Kempe
Duel in St. Petersburg door Louis Radstaak

Kliekjesdag

Melodie: Streets of Laredo

De spruiten zijn bruin en van dagen geleden,
ze liggen als algen geprakt op mijn bord.
De piepers zijn hard. Met geblakerde korsten
vertellen ze mij dat het kliekjesdag wordt.

O, duurzaamheidsdag met jouw lifjes en lafjes,
met alles wat overbleef en werd gespaard,
ik haat jou hartgrondig omdat wij dan eten
de restjes, de prakjes, soms weken bewaard (2x).

De soep is vol drijvende geel-grijze vellen
van vlees dat misschien bij een kip heeft gehoord.
Vermengd met wat slierten, ik denk van eergister,
lijkt dit gerecht meer op volkerenmoord.

O, duurzaamheidsdag met jouw lifjes en lafjes,
met alles wat overbleef en werd gespaard,
ik haat jou hartgrondig omdat wij dan eten
de restjes, de prakjes, soms weken bewaard (2x).

Maar toetjes - bezinksels van allerlei pakken,
van griespap, tot yoghurt en vaak dubbel-vla –
die slurpen wij gretig uit kleurige schalen.
Want, wie overleeft krijgt een borreltje na.

Zo is het met dichters en met hun poemen:
het betere wordt vaak op 't leste gezegd.
Niet alles wat 'kliek' is, is daarom ook slechter.
Ook na-komers hebben een erfenisrecht.

O, duurzaamheidsdag met jouw lifjes en lafjes,
met alles wat overbleef en werd gespaard,
ik min jou hartgrondig omdat wij dan horen
de verzen, de woorden, tot nu toe bewaard (2x).

Alfred Bronswijk

De Kat van Toko Kim Lan

Ik zie U elke nacht,
Gij zetelt aan de andere zijde,
slechts gescheiden door straat
en twee maal vensterglas.
's Nachts wenkt U mij,
baken in de eeuwige duisternis
tussen de shampoo, de waaiers en de mie.

Uw troon is hoog achter de etalageruit,
boven de potjes met het vreemde etiket.
U glimt en glinstert in het duister.
Open ik  het gordijn omdat ik u dan zoek,
dan wenkt u, verheven boven het daagse van
de vijzel en de kommetjes en al het bamboespul
en de reclame voor goedkoop bellen naar Somaliland.

Kat van Kim Lan, van schemer tot
het zwartst van de nacht,
Uw wenken begeleidde me al die tijden.
Nu bent U verstild, uw arm verstard,
Bent u nu zelf uitgezwaaid?

Uw blik boort zich naar de overkant
ik voel hem star op mij gericht,
is het een verwijt, heb ik iets nagelaten,
had ik wellicht moeten oversteken?
Is het uw tijd die gekomen is,
of, ik schrik, misschien de mijne?

Michiel van Hunenstijn

Apocalyps

Verdorven ooievaars leveren in deze schaarse tijd slechts derivaten af. Volgens bekende ervaringsdeskundigen en wetenschappelijkers moeten we ons voorlopig tevredenstellen met een onverbeterlijke, ongeneeslijke gezondheid naar lichaam en geest.

Ondertussen verdwalen we in priemgetallen en dolen we in cirkels rond. We verschuilen ons in metaforen en verstoppen ons achter schuttingen, zelfs als de zonnige ochtendglorie nog maar net in de lucht hangt. Dit vergeefse pogen gaat de hele dag door tot de verschemering ons in schimmigheid hult en ons voorbereidt op de verdonkeremaanse nacht die al ons falen toedekt.

Ons denken vindt hooguit ondergrondelijk plaats en steekt maar zelden boven het maaiveld uit. Het mist concentratie en belemmert de coördinatie van het in aanleg wondere leven van onze implantaten, ledematen en andere in- en uitsteeksels. Het staat ons bovendien in de weg om op sterfelijke wijze de eeuwige rust in te gaan.

Experts spreken van een mechanisch defect bij de ooievaar, veroorzaakt door een verraderlijk radertje in de hartstreek. Hierdoor lijdt de vogel aan schorre verschreeuwing die scheuren grift in de innerlijke klankbodem van kinderen.

Wie keert het ooiegevaar!

Jan van Laar

Startmanifest van de humanist

Vertaling van het gedicht: Manifiesto Inicial Del Humanista van Santiago Montobbi (Barcelona, 1966)

De zaak van de woorden die nergens toe dienen,
of om te leven slechts, is een kleine zaak.
Maar als je iedere dag zekerder weet
dat je kransen niet alleen afwijst
maar er ook steeds meer van gruwt,
als je van je al failliete intellect werkelijk geen prostituee
wilt maken die haar borsten of haar ziel verkoopt
aan ieder stiefkind van het geld, of als je eenvoudigweg
weinig nodig hebt en het alleen belangrijk vindt
het leven en zijn treurnis waardig te dragen
zou het beter zijn dat je vanaf nu
je onontkoombare straf van eenzaamheid en mislukking aanvaardt
en dat je als lichtend of blind stofje van de sterren
die kleine, belachelijke zaak omarmt,
dat je dit van ganser harte doet en dat in je lege kamer
de woorden van het vuur in as verkeren, elkaar bestormen
en achtervolgen, en in hun eenzame nacht
verkillen door het zeggen van jouw naam.

Poesjkin

korte tekenfilm

"Tijd is koetsier
op een beladen wagen.
We stappen 's morgens in
Vooruit, raast voort, zo snel het kan!
In de middag komt de angst,
we zien ravijnen,
's avonds, half in slaap,stappen we uit
en zien de tijd verdwijnen."

We misten Poesjkin....
verdroeg niet langer vernederingen
van ballingschap, intriges en censuur.
In de middag uitgestapt
na een duel.

"Ik heb mijzelf
een standbeeld opgericht,
niet met mensenhanden,
maar met de woorden van het volk,
dat altijd een open weg
erheen zal bevinden."

Fier en zelfbewust
is hij weer ingestapt,
bevrijd van nijd,
en reist onafgebroken
met het leven door de tijd.

Nele Holsheimer

Bron: Puschkin, in 'Russische Lyrik' , 1987 / Der Wagen des Lebens, 1823 /   Exegi monumentum, 1836

Variatie op Poesjkin’s Demonen:

Demonen van ontrouw en overspel.

Wolken razen, kringelen omhoog
De nacht is waas, gelijk de hemel
De maan, onttrokken aan het oog,
Verlicht het pollenpluisgewemel.

Verder in het vrije veld, fiets ik
De dynamo driftig aan het zingen
En- of ik wil of niet- ik heb schrik
Van de vlakten die mij omringen

Kom, droeve vrouw, wat is dat voor gemier?
‘k Ben aan het eind van mijn Latijn, na al die jaren,
En door tranen van een voorgevoel zie ik geen zier
Mijn liefdespad loopt dood hier, einde aan het paren.

Alles in me gaf ik, maar bijster ben ik nu het spoor
‘k Ben hopeloos verdwaald. Wat nu gedaan?
Zie, in het veld leid mij een wat? …een demon?... voor
Gekraak van takjes hoor ik, of … is het slechts een waan?

Kijk daar, welk beest gooit daar zijn remmen los?
Hij spuwt op iets, blaast rookwolkjes van mist
En stampt bukkend in een struik als dol geworden vos
Drijft hij als Onan zich een aardkloof in, verspilde list?

Géén aardgrot is het, nee, mijn God, het is die zedenloze bonenstaak
Waar hij ook was verscheen zij prompt, die duivelin voor mannenogen
En maar pronken, flirten en fonk’len, ja nu is het vonkje raak
En haar duist’re kloof heeft hem volledig ín zich opgezogen.

Wolken razen, friemelen omhoog
De nacht is dwaas, waar is de hemel?
De maan verduistert voor het oog
Het promiscuë pielemuisgewemel.
Het liefdeshijgen is nu plots verstomd
Ik sta hier roerloos, verschraald is nu mijn kracht
Is hij het écht, daar in het veld? Wel ja, verdomd!
Míjn grote liefde, wolf in schapenkleren; ik hier Bambi, wacht.

En zij maar lachen, briesen, voelen echt geen enk’le wrevel
Terwijl in mij de woeste storm raast, wanhopig huilt en giert.
Zie daar, zij draven nu opnieuw een weg in liefdesnevel
Die door haar vuuroogjes zo vrolijk wordt versierd.

Zij zijn in draf nu, de feestende beesten
Geluiden van lieve lust terwijl zij rijden
Vormen in mij een samenkomst van boze geesten
Op zwartgeblakerde vlakke dorre weiden

Het zijn oneindige gedrochten
Daar in de troebele maneschijn
Rondwervelend in kromme bochten
Alsof ze lentegroene blaadjes zijn.

Met zovelen zijn zij, de ontrouwen, waartoe gedreven?
Waarom zingen zij zo driest en hol
Waarom verliet de geest hun zielenleven
En vieren ze het trouwfeest van een kol?

Wolken razen, wringen zich omhoog
De nacht is donker, er is geen hemel
De maan, gekrompen tot een boog
Verduistert mijn gevoelsgewemel.

Demonen van verraden liefde razen in een zwerm
Onder mijn oeverloos almaar vragende hersenschijf
Krols gekir en gretig hijgen en soms een klagerig gekerm
Jagen mij, steeds maar stijgend, stuipen op mijn verguisde lijf …
                                                                                         
Neletta van Heuven

Zonder titel

Vertaling van een aforisme uit 1866 van de Russische schrijver Fjodor Ivanovitsj Tjoettsjev  (1803 – 1873)

Op Rusland loopt de rede vast,
Het gaat gemeen begrip te boven:
De maat geen enkel meetlint past -
In Rusland kunt gij slechts geloven.

Pieter Bas Kempe

Duel in Sint Petersburg

G.C. van Heeckeren, geboren d'Anthes
doodde zijn zwager Poesjkin in een pistoolduel
zelf raakte hij slechts gewond aan een arm
hij schreef daarmee geschiedenis in Rusland
maar trok een bloedig spoor in de poëzie
de echo's van de schoten reikten tot hier.

Louis Radstaak



Louis Radstaak, zittend als 'suppoost',
september 2011 in het Pushkin Museum te Odessa (Ukraïne)