woensdag 31 augustus 2011

Dichterscafé augustus 2011

Dichterscafé augustus 2011 - Onderwerp:
Stadsgedichten

Gedichten van deze bijeenkomst:
Deventer door Benne Solinger
Deventer door Dick Smeijers
Groeten van de Deventer markt door Herman Posthumus Meyjes
Nieuwe Deventer stadsdichter door Michiel van Hunenstijn
Lebuïnus door Alfred Bronswijk
Sale door Alfred Bronswijk
Tuinfeest door Twan van Dijk

Deventer

Wij liggen aan de IJssel,
jij en ik.
Jij groot en majesteitelijk,
ik  loom
en op jouw  gras.

Ik wandelde in jou en
werd verliefd
op schoonheid, kunst, geschiedenis
jouw  groen,
en stromend water.

Fraaie oude Hanzestad,
Deventer,
mijn hart versnelde zich door jou!
Intens
geniet ik van je.

Ik wil je twee jaar dienen,
als poëet!
Je behagen met gedichten,
zo puur,
je echt beminnen.

Benne Solinger

Deventer

De stad komt naar me toe met al haar straten
De roepstem van de muren
ga ik voorbij, een luister …
een nieuw verhaal vertelt zich verder
de vreugde van de weg verstaat men hier
als geen ander, mijn eigen grond
waarop ik wonen wil, en sterven nu
voor later dan de klok mij aanwijst
de mooie vrouwen van weleer duiken weg achter de ramen
het feest is in de stad begonnen, en doet haar ronde
door alle straten en over pleinen van verdriet en pijn
ik kom je tegen in een hoek van weer en wind
waar waterstromen reeds hun weg hebben gevonden
de torenklok heeft het geluid nog niet vernomen.
Ik wacht geduldig af totdat ze spreken zal.

Dick Smeijers

GROETEN VAN DE DEVENTER MARKT

Een stadsgedicht

Ik zie de mensen strompelen op de markt,
hun ruggen krom, hun ogen dof, hun armen
door veel te zware tassen uit de kom,
hun tred vertraagd door het ijselijk besef
dat thuis hen veel verdrietigs staat te wachten.
Zij teren zichtbaar op hun laatste krachten.

Ik zou hen in een springvloed van erbarmen
omhelzen willen, drukken aan mijn borst,
en zou hen willen zeggen, als ik dorst,
“verzamel moed, uw laatste beetje lef,
“o, broeders, zusters, laat het hoofd niet hangen,
“wij zijn voor één gat immers niet te vangen.

“Wij zijn met velen, en ik één van u,
“en samen valt er nog wat van te maken.
“Ik deel uw lot en ken uw kwade kansen
“en weet dat in het eindelijk uur 'U'
“geen onzer tegen het noodlot op kan wegen,
“en Circulus zal komen om ons op te vegen.

Maar spaar mij uw lawaai en domme praat,
zo luid dat ik het in het voorbijgaan hoor,
en krimpen moet van schaamte en ellende,
het oog reeds beurs door alle wangedrochten.
En ook die foutief uitgesproken woorden,
waarvoor ik stadgenoten kan vermoorden.

En kom mij niet aan boord met van die vrouwen
die menen het aanzien nog steeds waard te zijn,
en zich afgrijselijk hebben toegetakeld
met tatoeages, piercings, stalen pennen
en ringen door de neus die slechts doen denken
aan plekken waar de slager staat te wenken.

En houd mij ver van zwaar behaarde mannen
met uitgepuilde pensen, bier doorvoed.
Ik zal hen in mijn bidstond niet gedenken
en sluit hen uit van mijn beproefd gemoed.
Ik walg van hun onsmakelijke kleding
als leven zij van aalmoes en bedeling.

Hoe langer ik hier loop, hoe meer ik zie
dat onverteerbaar is en niet te pruimen.
Ik moet de Brink nu op zijn snelst ontruimen,
voordat de wanhoop mij te grazen neemt
en ik, met het huiswaarts pad reeds in het zicht,
alsnog voor het onvermijdelijke zwicht.

Het wekelijks rantsoen is ingekocht
en wat gedaan moest worden is gedaan.
Wat mij betreft, was het weer meer dan raak:
het is zaak dat ik mij uit de voeten maak.

Herman Posthumus Meyjes

Nieuwe Deventer stadsdichter

Nieuwe Deventer stadsdichter belooft spektakel,
kopte de krant. Dichters' portret stond schrap daaronder:
een snor, een grijns met een hoed erop gezet.
Zie hem staan met z'n glas geheven
en met z'n lawaaihemd aan.
Je verwacht warempel nog een alaaf te horen.

Hij wil op zoek naar nieuwe vormen,
dicteerde hij de journalist
en prikkelen wil hij de burger. En bruisen wil hij,
met de dichter zelf als levend bruistablet.
En aan conventies heeft hij lak.
Heeft u dat?

Voor hem geen ivoren toren,
nee, hij wil roepen vanaf de daken
naar de man in de straat beneden,
luister burger, ik ben uw nar
en ga volstrekt mijn eigen gang.
En u moet niet zo onverdraagzaam wezen,
mijn maag is zwak, ik kan daar heel slecht tegen.

Het vaatje waar ik uit tap is bol, dat is mijn klankkast.
Ik brul daarin, en geniet dan van het ronken en de galm.

Maar wees gerust, mijn hart is klein, ik ben geen bijl.
De bescheiden bladerpracht van de reine berk kan mij zeer ontroeren
en de ook de IJssel brengt mij regelmatig van mijn stuk.
Maar als u mij nu wilt excuseren, uw dichter moet nu naar de bank.

Michiel van Hunenstijn

Lebuïnus

Hier stroomt het water, breder, dieper
rond  de schouderbladen van het land.
Een brug rekt zich naar de overkant
en onbewogen, alsof riep er

iemand vanuit de oneindigheid,
mediteert hij. Klokken in hem slaan:
wil tot het einde der aarde gaan,
ik zal met u zijn in eeuwigheid.

Zwijgend spreekt hij rondom pleinen aan
vanuit een verleden zinsverband.
Terwijl de veerpont hekgolven snijdt

zingt een kind zich boven alle tijd
van witte zwanen en engelland,
van sloten die ooit weer open gaan.

Alfred Bronswijk

SALE

De stad is overvol van wil en wensen,
die zich vertalen in omkoopbare realiteit
en spiegelruiten, waarachter uitgebreid
de summersale zich prostitueert aan mensen.

Haar taal herdefinieert verlangen
in de artikelen, de ongehoorde kansen, die
in elke kledingzaak of parfumerie
met hun schaamteloos ontblote prijzen lonkend hangen.

Maar wie of wat verkoopt zich hier aan wie?
Dingen zijn het summum van begeren.
Waar zijn in hebben wordt omgebogen,

de waarheid in cijfers weggelogen
tot zwaartekrachten, niet meer te keren,
gedijt de toonbank bij a-symetrie.

Alfred Bronswijk

Tuinfeest

het Tuinfeest
niet alleen een stortvloed van woorden
ook de regen liet zich niet onbetuigd
dichters uit het hele land
soms saai, soms spannend,
soms verrassend, soms heel leuk
Anne Enquist, voetbalfan
Eva Gerlach, mijn God wat saai
Ted van Lieshout, heel erg leuk
Daar lag ik echt van in een deuk
Dan met zijn typische hoge nasale stemgeluid
op melodieuze wijze zijn eigen eigenwijze teksten
voordragende Gerrit Komrij
het kwam allemaal voorbij
de nieuwe stadsdichter werd bekend
waar de jury unaniem voor koos
ik heb hem gezien
ik heb hem gehoord
hij noemt zich de nar van Deventer
het lijkt mij wel een leuke vent
deze Lammert Voos

het Tuinfeest
de dag voor de boekenmarkt
meestal uitverkocht
maar ik zal haar eens verrassen
mijn relaties opgezocht
de kaarten toen geregeld
helaas pleegde zij verraad
stond ik alleen
ik twijfelde
moet ik er nog wel heen?
maar uiteindelijk toch gegaan
al was het alleen maar voor Heleen

haar afscheid viel letterlijk in het water
het kan verkeren zei Bredero
dus laten we het maar zo?
nee, nee, nee  dat doen wij dus niet
Heleen Bosma
dichteres van deze stad
de beste die wij
de afgelopen 2 jaar hebben gehad
oké, oké
we hadden er maar een
maar het was wel onze Heleen

met de gave van het woord
schreef ze over buurtschappen
waar ik zelfs, als Deventernaar
nog nooit van  had gehoord
dus doe ik hier
wat ze daar waren vergeten
ik zeg je dank
Heleen Bosma,
schrijver, dichter, avonturier

Twan van Dijk