donderdag 28 juli 2011

Dichterscafé juli 2011

Dichterscafé juli 2011- Onderwerp:
Leichtigkeit

Gedichten van deze bijeenkomst:
Soms door Herman Posthumus Meyjes
Een vogel door Herman Posthumus Meyjes
Bach door Jos Paardekooper
Dichterscafé door Marleen van Joolen
Heldenmoed door Olivier Rensing
Hole in One door Twan van Dijk
Lázaro Babalú Ayé door Casper de Jong
Leichtigkeit door Wim van den Hoonaard
Zonder titel door Martin Walton

SOMS

voor Brendalin S.

Soms heb je iets begrepen
terwijl het nog veel te vroeg was om iets te begrijpen.
Soms heb je iets zien schemeren
terwijl het al veel te laat was om van schemer te kunnen spreken.
Soms heb je iets vermoed
terwijl je helemaal de moed niet bezat om iets te vermoeden.

Soms heb je iets gehoord
terwijl zij te ver verwijderd was om gehoord te kunnen worden.
Soms heb je iets gevoeld
terwijl zij zich zo schuil hield dat je helemaal niets kon voelen.
En soms heb je iets gezien
terwijl zij je zo aankeek dat je niets terug kon zien.
                                                                                                 
Soms heb je haar aangeraakt
terwijl het een te lichte aanraking was om te herinneren.
Soms heb je haar aangekeken
en zag je de hele volgende dag niemand anders voor je
en soms zag je haar silhouet
terwijl je dacht 'dat is het silhouet van iemand van wie ik wel vaker  
                                                        [het silhouet zou willen zien'.

Soms heb je haar ontmoet
terwijl zij haar raampje voor je naar beneden draaide
en toen had je ook zelf
je raampje naar beneden willen draaien.                                                                                                
En soms zag je een ree of een wipstaartje voorbij komen
terwijl je heel goed wist dat daar geen reeën of wipstaartjes
                                                                       [rondlopen.

Soms ontmoet je haar
terwijl je weet dat, als het er op aan komt,
je geen woorden zult hebben
om haar te zeggen 'dit is een ontmoeting' --
en dan laat je haar een oude Ierse dorst lessen
terwijl je heel goed weet dat dorst uiteindelijk niet te lessen valt.

Soms … soms … soms ...
en daarom schrijf je maar een gedicht.

Herman Posthumus Meyjes

Een vogel

n.a.v. Het gedicht “Een Koraal” van Rutger Kopland

Weten wij van wie wij dit alles hebben geërfd?
Van de ontelbaren die ons voorgingen,
van de dichters en de piramidebouwers,
van de orgelspelers en van ieder die doelloos zwerft,
van allen die hun naam
in de bast van de geschiedenis
       hebben gekerfd.

En weten wij dat wie niet omkijkt aan blikveld derft,
omdat alleen wie terugblikt vooruit kan zien?
Vraag het de man met de kwast die een lijn op het wegdek verft,
zorgvuldig het midden van het pad opmetende
en borden stellende om ook zelf niet te verdwalen --
en die de vederlichte vogel vindt
       die sterft.

Herman Posthumus Meyjes                                             Puy Bascle, 22 juli 2011

Bach

Koppig zijn muziek als donker bier,
op het tomeloze af tarten zijn
passies de zwaartekracht, maar
lichtvoetigheid is ver van hier:
alles ademt absolute macht,
nadert tot god en vorst -
dit is het voorspel van het avondland.

Jos Paardekooper

Dichterscafé

Woorden vloeien samen
in poëtische regels
spelend als muziek
in het gehoor.
Het gevoel van de poëzie
laat herinneringen
tot leven  komen
ze geven een onnavolgbare betekenis
aan deze mooie woordenstroom.

Als instrument heeft de dichter
de creatieve soepelheid
om zijn woorden zo te bespelen
dat je langzaam afdwaalt
in een hartverwarmend gevoel.

Marleen van Joolen

Heldenmoed

Er was eens een meisje
Lopend langs water
In het water
Lag een kater
Die niet goed zwemmen kon

Meisje aarzelde geen moment
En belde 112
Kater gered
Meisje zoet
Kreeg eremedaille
Voor heldenmoed

Maar niemand wist
Kater lag niet in water
Toen meisje daar voorbij liep

Kater belande in water
Omdat meisje met kleine Peter
Had gewed om poet
Wie als eerste kon behalen
Een medaille voor heldenmoed

Olivier Rensing

Hole in One

mijn naam is Twan
ik sloeg de bal zo hard en hoog
dat die om de wereld vloog
hem niet meer heb gezien
tot ik hem terug vond op de green
het was een hole in one!

Twan van Dijk

Lázaro Babalú Ayé

‘De oude Lázaro ging zijn hond begraven’,
begon het gedicht dat ik vandaag zou schrijven,
maar al gauw begonnen gedachten af te dwalen,
naar plekken die ik bezocht en gekend heb,
maar die ik me niet herinneren kon,
terwijl ik er toch iets gevoeld of gedacht moet hebben,
iets van mededogen misschien, solidariteit,
om wat ze daar hadden te verdragen, hoe de stilte,
waar iedere plek toch recht op heeft, achteloos werd aangetast,
ik zou me er nog over kunnen opwinden,
als ik het niet allemaal vergeten had
en als me het niet verder afgeleid zou hebben
van het gedicht dat ik zou schrijven
over de oude Lázaro die zijn hond begroef,
kan ook een kat geweest zijn, daar wil ik af wezen,
om kort te zijn, de oude Lázaro was bedroefd en dan ging hij drinken,
eigenlijk was hij iedere dag bedroefd,
maar waar het over had moeten gaan in dit gedicht, daarover ging het niet,
Lázaro zou het me wel vergeven,
want als er één is die het falen kent van onze soort….
hij zou eigenlijk de oude Milka eens moeten ontmoeten,
om samen te roken en te drinken,
Lázaro vanwege dorst en Milka voor de gezelligheid,
uren ouden ze kunnen zwijgen
en met hun stilte de plek respect bewijzen,
want oude mensen weten hoe het hoort als ze in een gedicht op een plek zijn
aangekomen….
als mijn gedicht hun plek zou wezen,
dan is het vandaag toch goed gegaan,
dan heeft de oude Lázaro iemand ontmoet, in plaats van een hond begraven,
en hef ik mijn glas dat ik er bij mocht zijn.

Casper de Jong

'Leichtigkeit'

Als ik door een wijze van leven
een deel van de zwaarheid vind
even 'wichtig' als oneven
de tekening zie van een kind
met vrolijkheid en grappen
nadat de juf vanwege de dood
maar eens op moest stappen
dan begin ik iets te snappen
van wat het kind-zijn bood;
dat is die Leichtigkeit -
als redder in de nood.

Wim van den Hoonaard

Zonder titel

Volgens hemzelf was Jan Arends
een dunne dichter – hij schreef met
een onnavolgbare magere taal.

Vermagerdheid zou je het kunnen noemen, maar dan zo
mager dat het was alsof het onthuidde handen waren
die schreven.

Ik vrees dat ik wel weet hoe het schrijnt
alsof ik hoor hoe hij het zelf is die hier
op deze plek, in deze smederij
woorden vuurt en vormt.

Je hoort de eeuwenoude klanken, het gekreun
van de smid, het getinkel van hamer op aambeeld.
het zuchten van blaasbalg
hoe er van taal prikkeldraad wordt gesmeed.

En er een zucht langzaam door de ruimte zweeft
als een uitgedunde, omsmeedde schreeuw,
vermagerdheid.

Martin Walton                                               Naar het voorbeeld van ‘Een koraal’ door Rutger Kopland