donderdag 30 juni 2011

Dichterscafé juni 2011

Dichterscafé juni 2011- Onderwerp:
Dichtregel naar Gerrit Achterberg: "ben ik een dichter, dan is 't per abuis" (uit Democraat)

In deze kamer ben ik eindelijk thuis.
Ik zal geen vers meer schrijven dat mijn leven
uiteen moet rukken om te zijn geschreven.
Ben ik een dichter, dan is ’t per abuis.

Ik lees het nieuwe boek. De kachel suist.
Geertruida staat een overhemd te strijken.
Ik heb maar van de bladzij op te kijken
om te beseffen welk geluk hier huist.

Zo zal het door de jaren blijven duren. 
We krijgen straks een kind en mijn pensioen
zal voor onze oude dag het zijne doen.
We hoeven niet voortijdig te verzuren.

Ook leven wij in vrede met de buren.
De ene heet Van Bakel, de ander Griffioen.

Inleiding over Gerrit Achterberg door Herman Posthumus Meyjes.

Gedichten van deze bijeenkomst:

Per abuis door Jos Paardekooper
Verdemen door Herman Posthumus Meyjes
Deventer door Dick Schlüter
Olst en Wijhe door Dick Schlüter
Zonder titel door Dick Smeijers
Toeristenmenu door Marleen van Joolen

Per abuis

Van dichten komt mij kleine baat.
De mensen raden me dat ik ’t laat.
Als ik al dicht, dan is’t kwansuis;
ik ben slechts dichter per abuis.

Ik heb mijn lichaam dubbel lief,
ik ben mijn eigen hartedief,
ik, die mijn dichtaderen vergruis –
ik ben slechts dichter per abuis.

Ik ben bijeen van ziel tot chromosoom,
ik droom voortdurend dat ik droom,
ik huis steeds in een ander huis
en ben slechts dichter per abuis.

Ik wissel wens en vondst van plaats,
ik speel met taal, en taal naar raad-
sels die teken zijn en toon incluis,
maar ben slechts dichter per abuis.

Ik ratel met dit doodlijk apparaat
verscholen tussen keel en ruggegraat.
Met gekkepraat en vals geruis
ben ik slechts dichter per abuis.

Een voetnoot ben ik, in de pels een luis,
een zijpad dat de ware kunst doorkruist,
een achterberg, een paardenfluis-
teraar, een dichter enkel per abuis.

Jos Paardekooper

Bij gelegenheid van de derde bijeenkomst van het Deventer
Dichterscafé in De Brave Broeder, met als thema Gerrit Achterbergs 
dichtregel ‘Ben ik een dichter, dat is ’t per abuis’ (uit Democraat).
Met dank ook aan de onbekende dichter van de Beatrijs.

Verdemen

Er staat Verdemen aan de spoorlijn van
Arnhem naar Utrecht komende  - & Zonen.
Ik kan het u gemakkelijk aantonen:
links bovenaan tegen een gevel an.
Ik weet van deze man niets anders dan
dat hij Verdemen heet en hij heeft Zonen
en dat hij aan de spoorlijn is gaan wonen,
waar ieder zich van overtuigen kan.
Ik zou hem voor de aardigheid misschien
eens op kunnen gaan zoeken in zijn huis
en kijken wat hij in het leven doet.
Verdomme als ik Verdemen niet ontmoet.
Het is van uit de trein een pas of tien.
Natuurlijk zit er ergens een abuis.

Herman Posthumus Meyjes

Deventer

In deze stad wil ik diepe putten graven,
grote scheppen aarde zeven, het leven
uit andere tijden betrappen, besluipen,
tot op ’t bot kruipen en ter aarde bestellen
nadat hebben en houden zijn ontfutseld,
om in elkaar te worden geknutseld
in het provinciaal depot, die oude silo
aan de Bergpoortstraat, rijk gevuld
met voorwerpen, verhalen en geduld.

Opgraven, om `t verleden te omarmen
ondanks de ingevallen schedelblik,
de littekens van pusbuilen, oorlogen,
en gebrek. Plateel, ijzer, leder, textiel:
versleten, weg gesmeten, vergeten,
verstopt of gepropt in `t bodemarchief
reeds overvol met knekels en lijken
die na `t wormen bezig zijn te vergaan.
Dikke lagen, langzaam aan `t vervagen.

Beerputten en grachten koester ik
om de vele weggooi en slordigheid.
Wanneer het graven is gedaan
volgt de sensualiteit van `t betasten.
Ik pak een mes van een chirurgijn
waar aderen mee werden gelaten,
in karbonkels gesneden om er daarna
weer spek mee te repen. Versleten?
Weg ermee, de gracht als rommelplee.

Deventer is een plek om ingewanden
uit te knijpen. Van het Bergkwartier,
de Keizerstraat, Brink, Prinsenplaats,
Muggeplein, Stenenwal, Kranensteeg,
Treurnietgang of onder de hooggehakte
vrouwenvoeten op de Bokkingshang.
De puil aan meuk is een verstilde
zwanezang van Vikingen, Hanzetijd,
kerknijd, inwijkelingen en poorters.

Dick Schlüter

Olst en Wijhe

kijken naar langzaam water
dat onderlangs passeert, bij
meerpalen, kribben, langszij
de kaden. Dag en nacht kracht,
stilte in beweging. Stevig en
onbeweeglijk zomen de dijken,
weten van geen wijken bij hoog:
hemelbreed. Op de NAP-meet
zetten beambten dan een streepje
terwijl de Welsumer waarden
zich laven en vanaf de IJsseldijk
dikke hazen meun zien grazen.
Ik laat mooie platte flinten
over het water hinken en denk
aan jongens die keien gooiden
naar watervogels en een schip
De IJssel kringde weerloos,
slokte stenen, wolken en kroos.
Het moment was stuk gebeten
om hen afgemeten tot de orde
te roepen. De kreten van plezier
verloren het fluks van ’t stampen
van het schip. Vanaf de rivier
klonk de knal van een buks.
Het water duwt, schuurt, slibt
en moddert verder. Planten.
dieren, vogels, zon en maan,
houden hun eigen ritmes aan.
Een reiger schreeuwt in de vlucht,
ik zie mijzelf weer op de vlucht.

Dick Schlüter

Zonder titel

Meeuwen wiegen op de wind
Een bootje glijdt voorbij
Huizen beklimmen de heuvels
Zon weerspiegelt geluk
Water ligt aan mijn voeten

Dick Smeijers

Toeristenmenu

Ik ben de toerist met rugzak
op zoek naar een beetje vertier
in de stad aangekomen
zie ik een marionet op stelten
die over de IJssel tuurt
de mooie poppetjes laat dansen
zo lang het schouwspel van het leven duurt.

Langs de rivier duizenden kramen
hoor ik enkel en alleen het geluid
van omslaande bladzijdes
‘plots loop ik iets te ver’
verboden vrucht achter de ramen
verleidend turen naar het mannelijk aangezicht.

Eenmaal in de Walstraat aangekomen
ga ik terug in de verleden tijd
als een kluizenaar opgesloten
altijd een deur die dicht blijft
hij is gierig voor zijn onderdanen
en gekweld door de geesten in zijn hoofd.

Van alle indrukken vervult
beland ik op het terras aan de Brink
een verkoelend drankje
wat een fraai aangezicht
mijn mooie herinnering
heb ik opgeslagen in mijn rugzak
en die neem ik altijd weer met mij mee.

Marleen van Joolen